uitdagen
werkwoordBetekenis
- iemand met woord of daad tot actie prikkelen
werkwoord
- provoceren, uit de tent lokken transitive
Vervoeging van uitdagen
uitdagenhele werkwoord — daagde uitverleden tijd enkelvoud — daagden uitverleden tijd meervoud — uitgedaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | daag uit | daagde uit |
| jij | daagt uit | daagde uit |
| hij, zij, het | daagt uit | daagde uit |
| wij | dagen uit | daagden uit |
| jullie | dagen uit | daagden uit |
| zij | dagen uit | daagden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| daag uit | gebiedende wijs |
| daagde uit | verleden tijd |
| er is uitgedaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgedaagd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgedaagd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgedaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgedaagd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgedaagd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgedaagd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgedaagd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgedaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgedaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitdagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te dagen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen dagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal dagen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou dagen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden dagen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt dagen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen dagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen dagen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult dagen | bijzin, toekomende tijd |
| uitdaag | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitdaagde | bijzin, verleden tijd |
| uitdaagden | bijzin, verleden tijd |
| uitdaagt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitdagend | onvoltooid, deelwoord |
| uitgedaagd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgedaagd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgedaagd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgedaagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedaagd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedaagd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedaagd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgedaagd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgedaagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgedaagd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgedaagd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgedaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgedaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitdagen | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgedaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgedaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgedaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgedaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgedaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitdagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgedaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgedaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgedaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitdagen uit zou(dt) dagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitdagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgedaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgedaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgedaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgedaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgedaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgedaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgedaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgedaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgedaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitdagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgedaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgedaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgedaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitdagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitdagen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgedaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgedaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgedaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgedaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgedaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgedaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgedaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgedaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgedaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitdagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en dagen ww
Woordfamilie van uitdagen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| daag uit | gebiedende wijs | uitdagen |
| daagde uit | verleden tijd | uitdagen |
| daagden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitdagen |
| daagt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitdagen |
| dage uit | woordvorm | uitdagen |
| dagen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitdagen |
| uitdaag | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitdagen |
| uitdaagde | subordinate-clause, verleden tijd | uitdagen |
| uitdaagden | subordinate-clause, verleden tijd | uitdagen |
| uitdaagt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitdagen |
| uitdage | with-subordinate-clause | uitdagen |
| uitgedaagd | voltooid deelwoord | uitdagen |
| uitgedaagde | woordvorm | uitdagen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitdagen zijn vastgelegd.