uitbesteden
werkwoordBetekenis
- iets niet zelf doen maar het door een ander laten doen
werkwoord
- ten huwelijk geven obsolete
- de uitvoering van een proces als gevolg van een strategische keuze door een organisatie, om één of meer bedrijfsactiviteiten uitbesteden aan een dienstverlenende onderneming of toeleverancier
Vervoeging van uitbesteden
uitbestedenhele werkwoord — besteedde uitverleden tijd enkelvoud — besteedden uitverleden tijd meervoud — uitbesteedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | besteed uit | besteedde uit |
| jij | besteedt uit | besteedde uit |
| hij, zij, het | besteedt uit | besteedde uit |
| wij | besteden uit | besteedden uit |
| jullie | besteden uit | besteedden uit |
| zij | besteden uit | besteedden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| besteed uit | gebiedende wijs |
| besteedde uit | verleden tijd |
| er is uitbesteed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitbesteed | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitbesteed | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitbesteed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitbesteed worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitbesteed zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitbesteed worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitbesteed zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitbesteed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitbesteed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitbesteed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitbesteed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitbesteed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitbesteed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitbesteed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitbesteed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitbesteed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitbesteden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te besteden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen besteden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal besteden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou besteden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden besteden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt besteden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen besteden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen besteden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult besteden | bijzin, toekomende tijd |
| uitbestedend | onvoltooid, deelwoord |
| uitbesteed | verleden tijd, deelwoord |
| uitbesteed | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitbesteed te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitbesteed te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitbesteed te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitbesteed te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitbesteed te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitbesteed worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitbesteed zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitbesteed zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitbesteed zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitbesteed zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitbesteedde | bijzin, verleden tijd |
| uitbesteedden | bijzin, verleden tijd |
| uitbesteedt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitbesteed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitbesteed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitbesteed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitbesteed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitbesteed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitbesteed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitbesteed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitbesteed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitbesteden | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitbesteed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitbesteed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitbesteed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitbesteed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitbesteed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitbesteed zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitbesteed zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitbesteed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitbesteden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitbesteed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitbesteed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitbesteed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitbesteed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitbesteed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitbesteed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitbesteed zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitbesteed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitbesteed zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitbesteden uit zou(dt) besteden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitbesteden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitbesteed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitbesteed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitbesteed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitbesteed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitbesteed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitbesteed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitbesteed zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitbesteed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitbesteed zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitbesteden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitbesteed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitbesteed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitbesteed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitbesteden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitbesteden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitbesteed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitbesteed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitbesteed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitbesteed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitbesteed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitbesteed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitbesteed zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitbesteed zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitbesteed zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitbesteden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit en besteden
Woordfamilie van uitbesteden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bestede uit | woordvorm | uitbesteden |
| besteden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitbesteden |
| besteed uit | gebiedende wijs | uitbesteden |
| besteedde uit | verleden tijd | uitbesteden |
| besteedden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitbesteden |
| besteedt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitbesteden |
| uitbestede | with-subordinate-clause | uitbesteden |
| uitbestedend | onvoltooid deelwoord | uitbesteden |
| uitbestedende | woordvorm | uitbesteden |
| uitbesteed | voltooid deelwoord | uitbesteden |
| uitbesteedde | subordinate-clause, verleden tijd | uitbesteden |
| uitbesteedden | subordinate-clause, verleden tijd | uitbesteden |
| uitbesteedt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitbesteden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbesteden zijn vastgelegd.