Naar de inhoud

uitbarsten

tot een ontploffing komen

uitbarsten

werkwoord

Betekenis

  1. tot een ontploffing komen
  2. in lachen uitbarsten: plotseling heftig gaan lachen

Vervoeging van uitbarsten

uitbarstenhele werkwoord — barstte uitverleden tijd enkelvoud — barstten uitverleden tijd meervoud — uitgebarstenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik barst uit barstte uit
jij barst uit barstte uit
hij, zij, het barst uit barstte uit
wij barsten uit barstten uit
jullie barsten uit barstten uit
zij barsten uit barstten uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
barst uit gebiedende wijs
barstte uit verleden tijd
ben uitgebarsten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgebarsten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is uitgebarsten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgebarsten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn uitgebarsten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitbarsten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te barsten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen barsten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal barsten bijzin, toekomende tijd
uit zou barsten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden barsten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt barsten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen barsten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen barsten bijzin, toekomende tijd
uit zult barsten bijzin, toekomende tijd
uitbarst bijzin, tegenwoordige tijd
uitbarstend onvoltooid, deelwoord
uitbarstte bijzin, verleden tijd
uitbarstten bijzin, verleden tijd
uitgebarsten verleden tijd, deelwoord
uitgebarsten te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebarsten zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgebarsten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebarsten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgebarsten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebarsten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgebarsten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgebarsten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgebarsten voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitbarsten bijzin, toekomende tijd
zal uitgebarsten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebarsten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgebarsten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgebarsten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgebarsten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgebarsten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgebarsten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgebarsten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitbarsten bijzin, voorwaardelijk
zou uitgebarsten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebarsten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebarsten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitbarsten uit zou(dt) barsten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitbarsten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgebarsten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebarsten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebarsten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitbarsten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgebarsten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitbarsten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitbarsten bijzin, toekomende tijd
zullen uitgebarsten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebarsten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebarsten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitbarsten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitbarsten bijzin, toekomende tijd
zult uitgebarsten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal uitbarsten uit zult/zal barsten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en barsten ww

Woordfamilie van uitbarsten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
barst uit gebiedende wijs uitbarsten
barste uit woordvorm uitbarsten
barsten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitbarsten
barstte uit verleden tijd uitbarsten
barstten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitbarsten
uitbarst subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbarsten
uitbarste with-subordinate-clause uitbarsten
uitbarstend onvoltooid deelwoord uitbarsten
uitbarstende woordvorm uitbarsten
uitbarstte subordinate-clause, verleden tijd uitbarsten
uitbarstten subordinate-clause, verleden tijd uitbarsten
uitgebarsten voltooid deelwoord uitbarsten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbarsten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitbarsten

Wat is de betekenis van uitbarsten?
Uitbarsten is een werkwoord. De betekenis is: tot een ontploffing komen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitbarsten?
Zo vervoeg je uitbarsten zo: het voltooid deelwoord is uitgebarsten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitbarsten is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. A 1
  6. R 2
  7. S 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitbarsten levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. A 1
  6. R 2
  7. S 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitbarsten in het kort

uitbarsten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitbarsten staan er 44 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitbarsten bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitbarsten: tot een ontploffing komen
Deel uitbarsten — standaardnederlands.nl