turen
werkwoordBetekenis
- aandachtig, onderzoekend naar iets kijken
Vervoeging van turen
turenhele werkwoord — tuurdeverleden tijd enkelvoud — tuurdenverleden tijd meervoud — getuurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tuur | tuurde |
| jij | tuurt | tuurde |
| hij, zij, het | tuurt | tuurde |
| wij | turen | tuurden |
| jullie | turen | tuurden |
| zij | turen | tuurden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getuurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getuurd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getuurd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getuurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getuurd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getuurd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getuurd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getuurd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getuurd | verleden tijd, deelwoord |
| getuurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getuurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getuurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getuurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te turen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen turen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ture | aanvoegende wijs |
| turend | onvoltooid, deelwoord |
| tuur | gebiedende wijs |
| tuurde | verleden tijd |
| zal getuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal turen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal turen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal turen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou turen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou turen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou turen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden turen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden turen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden turen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt turen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen turen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen turen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen turen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen turen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult turen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Noors, in de betekenis van ‘scherp kijken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1504
Woordfamilie van turen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getuurd | voltooid deelwoord | turen |
| ture | aanvoegende wijs | turen |
| tuur | gebiedende wijs | turen |
| tuurde | verleden tijd | turen |
| tuurden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | turen |
| tuurt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | turen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van turen zijn vastgelegd.