Naar de inhoud

troosten

als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven

troosten

werkwoord

Betekenis

  1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven

Vervoeging van troosten

troostenhele werkwoord — troostteverleden tijd enkelvoud — troosttenverleden tijd meervoud — getroostvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik troost troostte
jij troost troostte
hij, zij, het troost troostte
wij troosten troostten
jullie troosten troostten
zij troosten troostten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben getroost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent getroost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is getroost impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was getroost impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd getroost impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt getroost impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal getroost worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal getroost zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou getroost worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou getroost zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
getroost verleden tijd, deelwoord
getroost te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
getroost te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
getroost te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getroost te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
getroost te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getroost worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getroost zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getroost zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
getroost zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
getroost zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getroost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getroost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getroost voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getroost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getroost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getroost voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getroost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getroost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getroost actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getroost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getroost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getroost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getroost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getroost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getroost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is getroost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is getroost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getroost actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te troosten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen troosten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
troost gebiedende wijs
trooste aanvoegende wijs
troostend onvoltooid, deelwoord
troostte verleden tijd
waart getroost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren getroost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren getroost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren getroost voltooid, verleden tijd, derde persoon
was getroost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was getroost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was getroost voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd getroost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd getroost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd getroost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden getroost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden getroost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden getroost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt getroost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word getroost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden getroost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden getroost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden getroost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt getroost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt getroost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal getroost hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getroost hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getroost hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal getroost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getroost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal getroost zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getroost zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal troosten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal troosten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal troosten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn getroost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn getroost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn getroost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt getroost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou getroost hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getroost hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getroost hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou getroost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getroost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou getroost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getroost zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getroost zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getroost zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou troosten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou troosten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou troosten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getroost hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getroost hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getroost hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden getroost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden getroost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden getroost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden getroost zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getroost zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getroost zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden troosten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden troosten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden troosten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getroost hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt getroost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt getroost zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt troosten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getroost hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getroost hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getroost hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen getroost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen getroost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen getroost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen getroost zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getroost zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getroost zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen troosten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen troosten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen troosten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen troosten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getroost hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult getroost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult getroost zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult troosten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van troosten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
trooste aanvoegende wijs troosten
troostte verleden tijd troosten
troostten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon troosten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van troosten zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over troosten

Wat is de betekenis van troosten?
Troosten is een werkwoord. De betekenis is: als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven.
Hoe vervoeg ik troosten?
Zo vervoeg je troosten zo: de tegenwoordige tijd is troost, de verleden tijd is troostte en het voltooid deelwoord is getroost. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord troosten is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. R 2
  3. O 1
  4. O 1
  5. S 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

troosten levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 48 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. R 2
  3. O 1
  4. O 1
  5. S 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 48 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (T) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

troosten in het kort

troosten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van troosten staan er 74 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort troosten bij een woordfamilie van 3 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

troosten: als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
Deel troosten — standaardnederlands.nl