Naar de inhoud

troetelen

iemand liefkozend knuffelen

troetelen

werkwoord

Betekenis

  1. iemand liefkozend knuffelen

Vervoeging van troetelen

troetelenhele werkwoord — troeteldeverleden tijd enkelvoud — troeteldenverleden tijd meervoud — getroeteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik troetel troetelde
jij troetelt troetelde
hij, zij, het troetelt troetelde
wij troetelen troetelden
jullie troetelen troetelden
zij troetelen troetelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
getroeteld verleden tijd, deelwoord
getroeteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getroeteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getroeteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getroeteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getroeteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getroeteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getroeteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getroeteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getroeteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getroeteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getroeteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getroeteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getroeteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getroeteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getroeteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getroeteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getroeteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getroeteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te troetelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen troetelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
troetel gebiedende wijs
troetelde verleden tijd
troetele aanvoegende wijs
troetelend onvoltooid, deelwoord
zal getroeteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getroeteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getroeteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal troetelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal troetelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal troetelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou getroeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getroeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getroeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou troetelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou troetelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou troetelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getroeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getroeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getroeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden troetelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden troetelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden troetelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getroeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt troetelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getroeteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getroeteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getroeteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen troetelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen troetelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen troetelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen troetelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getroeteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult troetelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘koesteren’ voor het eerst aangetroffen in 1515

Woordfamilie van troetelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getroeteld voltooid deelwoord troetelen
getroetelde woordvorm troetelen
troetelde verleden tijd troetelen
troetelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon troetelen
troetele aanvoegende wijs troetelen
troetelend onvoltooid deelwoord troetelen
troetelende woordvorm troetelen
troetelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon troetelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van troetelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over troetelen

Wat betekent troetelen?
Troetelen is een werkwoord. Het woord betekent: iemand liefkozend knuffelen.
Hoe vervoeg je troetelen?
Je vervoegt troetelen als volgt: de tegenwoordige tijd is troetel, de verleden tijd is troetelde en het voltooid deelwoord is getroeteld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord troetelen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. R 2
  3. O 1
  4. E 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

troetelen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. R 2
  3. O 1
  4. E 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

troetelen in het kort

troetelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van troetelen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort troetelen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

troetelen: iemand liefkozend knuffelen
Deel troetelen — standaardnederlands.nl