triëren
werkwoordBetekenis
- schiften, sorteren, selecteren, afzonderen, scheiden, afscheiden
Vervoeging van triëren
triërenhele werkwoord — trieerdeverleden tijd enkelvoud — trieerdenverleden tijd meervoud — getrieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trieer | trieerde |
| jij | trieert | trieerde |
| hij, zij, het | trieert | trieerde |
| wij | triëren | trieerden |
| jullie | triëren | trieerden |
| zij | triëren | trieerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getrieerd | verleden tijd, deelwoord |
| getrieerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getrieerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getrieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getrieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getrieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getrieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getrieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getrieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getrieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getrieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te triëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen triëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trieer | gebiedende wijs |
| trieerde | verleden tijd |
| triëre | aanvoegende wijs |
| triërend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getrieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getrieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getrieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal triëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal triëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal triëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getrieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getrieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getrieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou triëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou triëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou triëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getrieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getrieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getrieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden triëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden triëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden triëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getrieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt triëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getrieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getrieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getrieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen triëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen triëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen triëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen triëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getrieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult triëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse trier (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van triëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getrieerd | voltooid deelwoord | triëren |
| trieer | gebiedende wijs | triëren |
| trieerde | verleden tijd | triëren |
| trieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | triëren |
| trieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | triëren |
| triëre | aanvoegende wijs | triëren |
| triërend | onvoltooid deelwoord | triëren |
| triërende | woordvorm | triëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van triëren zijn vastgelegd.