trits
zelfstandig naamwoordBetekenis
- drie zaken die bij elkaar horen
- een groter aantal zaken die bij elkaar horen, een serie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tritsen | meervoud |
| tritsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tritsjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘drietal’ voor het eerst aangetroffen in 1634
Woordfamilie van trits
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tritsen | meervoud | trits |
| tritsje | verkleinwoord | trits |
| tritsjes | verkleinwoord meervoud | trits |
| tritse | woordvorm | tritsen |
| tritsende | woordvorm | tritsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trits zijn vastgelegd.