triptiek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- drieluik
- uit drie delen bestaand document
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| triptieken | meervoud |
| triptiekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| triptiekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘drieluik’ voor het eerst aangetroffen in 1862
Woordfamilie van triptiek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| triptieken | meervoud | triptiek |
| triptiekje | verkleinwoord | triptiek |
| triptiekjes | verkleinwoord meervoud | triptiek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van triptiek zijn vastgelegd.