Naar de inhoud

trippelen

met veel, zeer kleine pasjes bewegen

trippelen

werkwoord /ˈtrɪpələ(n)/

Betekenis

  1. met veel, zeer kleine pasjes bewegen

Hoe spreek je trippelen uit?

/ˈtrɪpələn/

Trippelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈtrɪpələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
t tak
r rood
ɪ pit
p pak
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van trippelen

trippelenhele werkwoord — trippeldeverleden tijd enkelvoud — trippeldenverleden tijd meervoud — getrippeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik trippel trippelde
jij trippelt trippelde
hij, zij, het trippelt trippelde
wij trippelen trippelden
jullie trippelen trippelden
zij trippelen trippelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
getrippeld verleden tijd, deelwoord
getrippeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getrippeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getrippeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getrippeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getrippeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getrippeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getrippeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getrippeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getrippeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getrippeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getrippeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getrippeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getrippeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getrippeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getrippeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getrippeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getrippeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getrippeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te trippelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen trippelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
trippel gebiedende wijs
trippelde verleden tijd
trippele aanvoegende wijs
trippelend onvoltooid, deelwoord
zal getrippeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getrippeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getrippeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal trippelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal trippelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal trippelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou getrippeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getrippeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getrippeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou trippelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou trippelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou trippelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getrippeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getrippeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getrippeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden trippelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden trippelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden trippelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getrippeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt trippelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getrippeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getrippeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getrippeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen trippelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen trippelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen trippelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen trippelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getrippeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult trippelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘met vlugge pasjes gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1562

Woordfamilie van trippelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getrippeld voltooid deelwoord trippelen
trippel gebiedende wijs trippelen
trippelde verleden tijd trippelen
trippelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon trippelen
trippele aanvoegende wijs trippelen
trippelend onvoltooid deelwoord trippelen
trippelende woordvorm trippelen
trippelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon trippelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trippelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over trippelen

Hoe spreek ik trippelen uit?
Zo spreek je trippelen uit: /ˈtrɪpələ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van trippelen?
Trippelen is een werkwoord. De betekenis is: met veel, zeer kleine pasjes bewegen.
Hoe vervoeg ik trippelen?
Zo vervoeg je trippelen zo: de tegenwoordige tijd is trippel, de verleden tijd is trippelde en het voltooid deelwoord is getrippeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord trippelen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. R 2
  3. I 1
  4. P 3
  5. P 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

trippelen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. R 2
  3. I 2
  4. P 4
  5. P 4
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

trippelen in het kort

trippelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van trippelen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort trippelen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

trippelen: met veel, zeer kleine pasjes bewegen
Deel trippelen — standaardnederlands.nl