trepaneren
werkwoordBetekenis
- het schedeldak (of ander benig deel) doorboren
Vervoeging van trepaneren
trepanerenhele werkwoord — trepaneerdeverleden tijd enkelvoud — trepaneerdenverleden tijd meervoud — getrepaneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trepaneer | trepaneerde |
| jij | trepaneert | trepaneerde |
| hij, zij, het | trepaneert | trepaneerde |
| wij | trepaneren | trepaneerden |
| jullie | trepaneren | trepaneerden |
| zij | trepaneren | trepaneerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getrepaneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getrepaneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getrepaneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getrepaneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getrepaneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getrepaneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getrepaneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getrepaneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getrepaneerd | verleden tijd, deelwoord |
| getrepaneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getrepaneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getrepaneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getrepaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getrepaneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getrepaneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getrepaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getrepaneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getrepaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getrepaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrepaneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getrepaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrepaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getrepaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getrepaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrepaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrepaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getrepaneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te trepaneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen trepaneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trepaneer | gebiedende wijs |
| trepaneerde | verleden tijd |
| trepanere | aanvoegende wijs |
| trepanerend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getrepaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getrepaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getrepaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getrepaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getrepaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getrepaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getrepaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getrepaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getrepaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getrepaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getrepaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getrepaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getrepaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen trepaneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getrepaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult trepaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse trépaner (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van trepaneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getrepaneerd | voltooid deelwoord | trepaneren |
| getrepaneerde | woordvorm | trepaneren |
| trepaneer | gebiedende wijs | trepaneren |
| trepaneerde | verleden tijd | trepaneren |
| trepaneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | trepaneren |
| trepaneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | trepaneren |
| trepanere | aanvoegende wijs | trepaneren |
| trepanerend | onvoltooid deelwoord | trepaneren |
| trepanerende | woordvorm | trepaneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trepaneren zijn vastgelegd.