tremuleren
werkwoordBetekenis
- tremolo (met vibratie, een triltoon) doen horen, vibreren
Vervoeging van tremuleren
tremulerenhele werkwoord — tremuleerdeverleden tijd enkelvoud — tremuleerdenverleden tijd meervoud — getremuleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tremuleer | tremuleerde |
| jij | tremuleert | tremuleerde |
| hij, zij, het | tremuleert | tremuleerde |
| wij | tremuleren | tremuleerden |
| jullie | tremuleren | tremuleerden |
| zij | tremuleren | tremuleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getremuleerd | verleden tijd, deelwoord |
| getremuleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getremuleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getremuleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getremuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getremuleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getremuleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getremuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getremuleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getremuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getremuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getremuleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getremuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getremuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getremuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getremuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getremuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getremuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getremuleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tremuleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tremuleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tremuleer | gebiedende wijs |
| tremuleerde | verleden tijd |
| tremulere | aanvoegende wijs |
| tremulerend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getremuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getremuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getremuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getremuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getremuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getremuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getremuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getremuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getremuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getremuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getremuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getremuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getremuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tremuleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getremuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tremuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘een tremolo uitvoeren’ voor het eerst aangetroffen in 1754
Woordfamilie van tremuleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getremuleerd | voltooid deelwoord | tremuleren |
| tremuleer | gebiedende wijs | tremuleren |
| tremuleerde | verleden tijd | tremuleren |
| tremuleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tremuleren |
| tremuleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tremuleren |
| tremulere | aanvoegende wijs | tremuleren |
| tremulerend | onvoltooid deelwoord | tremuleren |
| tremulerende | woordvorm | tremuleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tremuleren zijn vastgelegd.