Naar de inhoud

treiteren

rottigheid uithalen ten nadele van iemand met het doel diegene dwars te zitten

treiteren

werkwoord /ˈtrɛɪtərə(n)/

Betekenis

  1. rottigheid uithalen ten nadele van iemand met het doel diegene dwars te zitten

Hoe spreek je treiteren uit?

/ˈtrɛitərən/

Treiteren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈtrɛitərən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
t tak
r rood
ɛi trein
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van treiteren

treiterenhele werkwoord — treiterdeverleden tijd enkelvoud — treiterdenverleden tijd meervoud — getreiterdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik treiter treiterde
jij treitert treiterde
hij, zij, het treitert treiterde
wij treiteren treiterden
jullie treiteren treiterden
zij treiteren treiterden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is getreiterd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was getreiterd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd getreiterd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt getreiterd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal getreiterd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal getreiterd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou getreiterd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou getreiterd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
getreiterd verleden tijd, deelwoord
getreiterd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getreiterd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getreiterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getreiterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getreiterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getreiterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getreiterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getreiterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getreiterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getreiterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getreiterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getreiterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getreiterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getreiterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getreiterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getreiterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getreiterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getreiterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te treiteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen treiteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
treiter gebiedende wijs
treiterde verleden tijd
treitere aanvoegende wijs
treiterend onvoltooid, deelwoord
zal getreiterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getreiterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getreiterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal treiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal treiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal treiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou getreiterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getreiterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getreiterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou treiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou treiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou treiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getreiterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getreiterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getreiterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden treiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden treiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden treiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getreiterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt treiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getreiterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getreiterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getreiterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen treiteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen treiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen treiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen treiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getreiterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult treiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘plagen’ voor het eerst aangetroffen in 1733

Woordfamilie van treiteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getreiterd voltooid deelwoord treiteren
getreiterde woordvorm treiteren
treiter gebiedende wijs treiteren
treiterde verleden tijd treiteren
treiterden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon treiteren
treitere aanvoegende wijs treiteren
treiterend onvoltooid deelwoord treiteren
treiterende woordvorm treiteren
treitert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon treiteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van treiteren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over treiteren

Hoe spreek ik treiteren uit?
Zo spreek je treiteren uit: /ˈtrɛɪtərə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van treiteren?
Treiteren is een werkwoord. De betekenis is: rottigheid uithalen ten nadele van iemand met het doel diegene dwars te zitten.
Hoe vervoeg ik treiteren?
Zo vervoeg je treiteren zo: de tegenwoordige tijd is treiter, de verleden tijd is treiterde en het voltooid deelwoord is getreiterd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord treiteren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. R 2
  3. E 1
  4. I 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

treiteren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. R 2
  3. E 1
  4. I 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (T) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

treiteren in het kort

treiteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van treiteren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort treiteren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

treiteren: rottigheid uithalen ten nadele van iemand met het doel diegene dwars te zitten
Deel treiteren — standaardnederlands.nl