transept
zelfstandig naamwoordBetekenis
- deel van een kerkgebouw dat er een kruisvorm aan geeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| transepten | meervoud |
| transeptje | verkleinwoord, enkelvoud |
| transeptjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘kruisbalk’ voor het eerst aangetroffen in 1855.
Woordfamilie van transept
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| transepten | meervoud | transept |
| transeptje | verkleinwoord | transept |
| transeptjes | verkleinwoord meervoud | transept |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van transept zijn vastgelegd.