transcriptie
zelfstandig naamwoord /trɑnsˈkrɪpsi/Betekenis
- de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst
- het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift
- het proces waarbij een specifiek stuk van een DNA-keten wordt afgelezen en in 'gespiegelde' vorm wordt vastgelegd in een RNA-keten
- het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting
Hoe spreek je transcriptie uit?
/trɑnsˈkrɪpsi/
Transcriptie bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| s | sok |
| k | kat |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- het proces waarbij een specifiek stuk van een DNA-keten wordt afgelezen en in "gespiegelde" vorm wordt vastgelegd in een RNA-keten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| transcripties | meervoud |
| transcriptietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| transcriptietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘overzetting’ voor het eerst aangetroffen in 1456
Woordfamilie van transcriptie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| transcripties | meervoud | transcriptie |
| transcriptietje | verkleinwoord | transcriptie |
| transcriptietjes | verkleinwoord meervoud | transcriptie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van transcriptie zijn vastgelegd.