traject
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de af te leggen of afgelegde weg van een voorwerp door de ruimte
- weg of route
zelfstandig naamwoord — neuter
- gang van zaken; reeks gebeurtenissen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trajecten | meervoud |
| trajectje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trajectjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘wegverbinding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1746
Woordfamilie van traject
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trajecten | meervoud | traject |
| trajectje | verkleinwoord | traject |
| trajectjes | verkleinwoord meervoud | traject |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van traject zijn vastgelegd.