traiteur
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die maaltijden maakt om mee naar huis te nemen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| traiteurs | meervoud |
| traiteurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| traiteurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘uitzendkok’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van traiteur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| traiteurs | meervoud | traiteur |
| traiteurtje | verkleinwoord | traiteur |
| traiteurtjes | verkleinwoord meervoud | traiteur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van traiteur zijn vastgelegd.