trailer
zelfstandig naamwoord ˈtrelərBetekenis
- wagen die aan de achterkant van een auto vast wordt gemaakt
- truck met oplegger
- woonwagen die aan de achterkant van een personenauto vast wordt gemaakt
- voorproefje met stukjes van een in de toekomst uit te brengen film (zoals voor het begin van een andere voorstelling in de bioscoop of op tv getoond)
- trailer - aanhangwagen ; een wagen die gekoppeld wordt achter een aangedreven wagen en zo vooruit getrokken wordt
Hoe spreek je trailer uit?
/ˈtrelər/
Trailer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| e | veel |
| l | land |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- vrachtwagen met oplegger
- voorproefje met fragmenten van een binnenkort uit te brengen film, meestal vóór het begin van een andere voorstelling in de bioscoop of op tv getoond
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trailers | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘oplegger’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1938
Woordfamilie van trailer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trailers | meervoud | trailer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trailer zijn vastgelegd.