toiletteren
werkwoordBetekenis
- het toilet bezoeken
- het uiterlijk verzorgen, zich opknappen of opmaken
Vervoeging van toiletteren
toiletterenhele werkwoord — toiletteerdeverleden tijd enkelvoud — toiletteerdenverleden tijd meervoud — getoiletteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | toiletteer | toiletteerde |
| jij | toiletteert | toiletteerde |
| hij, zij, het | toiletteert | toiletteerde |
| wij | toiletteren | toiletteerden |
| jullie | toiletteren | toiletteerden |
| zij | toiletteren | toiletteerden |
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getoiletteerd | verleden tijd, deelwoord |
| getoiletteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getoiletteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getoiletteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getoiletteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getoiletteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getoiletteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getoiletteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getoiletteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getoiletteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getoiletteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getoiletteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getoiletteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getoiletteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getoiletteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getoiletteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getoiletteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getoiletteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getoiletteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te toiletteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen toiletteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toiletteer | gebiedende wijs |
| toiletteer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| toiletteer u/je , toiletteert je | gebiedende wijs |
| toiletteerde | verleden tijd |
| toiletteerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| toiletteerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| toiletteerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| toiletteerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| toiletteerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| toiletteerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| toiletteerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| toiletteerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| toiletteerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| toiletteerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| toiletteert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| toiletteert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| toiletteert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| toiletteert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| toiletteert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| toiletteert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| toilettere | aanvoegende wijs |
| toilettere zich | aanvoegende wijs |
| toiletteren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| toiletteren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| toiletteren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| toiletterend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getoiletteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getoiletteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getoiletteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me toiletteren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich toiletteren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je toiletteren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich getoiletteerd hebben | verleden tijd |
| zich toiletterend | onvoltooid, deelwoord |
| zou getoiletteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getoiletteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getoiletteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getoiletteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getoiletteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getoiletteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getoiletteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getoiletteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getoiletteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getoiletteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je toiletteren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons toiletteren | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen toiletteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich toiletteren | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult getoiletteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult toiletteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u toiletteren | tweede persoon |
| zult u toiletteren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u toiletteren | tweede persoon |
| zult zich/u toiletteren | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
afgeleid van toilet of van het Franse toiletter (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van toiletteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getoiletteerd | voltooid deelwoord | toiletteren |
| toiletteer | gebiedende wijs | toiletteren |
| toiletteerde | verleden tijd | toiletteren |
| toiletteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | toiletteren |
| toiletteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | toiletteren |
| toilettere | aanvoegende wijs | toiletteren |
| toiletterend | onvoltooid deelwoord | toiletteren |
| toiletterende | woordvorm | toiletteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toiletteren zijn vastgelegd.