toezeggen
werkwoord ˈtuzɛɣə(n)Betekenis
- beloven, verzeggen
Hoe spreek je toezeggen uit?
/ˈtuzɛxən/
Toezeggen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| u | boek |
| z | zon |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- als belofte verklaren ditransitive, formal
Vervoeging van toezeggen
toezeggenhele werkwoord — zegde toeverleden tijd enkelvoud — zegden toeverleden tijd meervoud — toegezegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zeg toe | zegde toe |
| jij | zegt toe | zegde toe |
| hij, zij, het | zegt toe | zegde toe |
| wij | zeggen toe | zegden toe |
| jullie | zeggen toe | zegden toe |
| zij | zeggen toe | zegden toe |
Alle 209 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is toegezegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was toegezegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd toegezegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt toegezegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal toegezegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal toegezegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou toegezegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou toegezegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had toegezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had toegezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had toegezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had toegezegd gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had toegezegd gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had toegezegd gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden toegezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden toegezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden toegezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden toegezegd gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden toegezegd gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden toegezegd gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt toegezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt toegezegd gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb toegezegd gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toegezegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben toegezegd gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toegezegd gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben toegezegd gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt toegezegd gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft toegezegd gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toegezegd gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| kreeg toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| kreeg toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kreegt toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kregen toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| kregen toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| kregen toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| krijg toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| krijgen toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| krijgen toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| krijgen toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krijgt toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| krijgt toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| te hebben toegezegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen toezeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe te zeggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toe te zullen zeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe zal zeggen | bijzin, toekomende tijd |
| toe zou zeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zouden zeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zoudt zeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zullen zeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toe zullen zeggen | bijzin, toekomende tijd |
| toe zult zeggen | bijzin, toekomende tijd |
| toegezegd | verleden tijd, deelwoord |
| toegezegd gekregen hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toegezegd gekregen te hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toegezegd gekregen te zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegezegd gekregen zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toegezegd krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toegezegd te krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toegezegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toegezegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toegezegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegezegd te zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegezegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegezegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegezegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toegezegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toegezegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toegezegd zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toegezegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toegezegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toezeg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toezegde | bijzin, verleden tijd |
| toezegden | bijzin, verleden tijd |
| toezeggend | onvoltooid, deelwoord |
| toezegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toezei | bijzin, verleden tijd |
| toezeiden | bijzin, verleden tijd |
| waart toegezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren toegezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren toegezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren toegezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was toegezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was toegezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was toegezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt toegezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal toegezegd gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegezegd gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toegezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal toegezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toegezegd krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegezegd krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal toegezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal toegezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toezeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal toezeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal toezeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal toezeggen | bijzin, toekomende tijd |
| zeg toe | gebiedende wijs |
| zegde toe | verleden tijd |
| zei toe | verleden tijd |
| zijn toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt toegezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou toegezegd gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegezegd gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toegezegd gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toegezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van toe bw en zeggen ww
Woordfamilie van toezeggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toezeg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toezeggen |
| toezegde | subordinate-clause, verleden tijd | toezeggen |
| toezegden | subordinate-clause, verleden tijd | toezeggen |
| toezegge | with-subordinate-clause | toezeggen |
| toezeggend | onvoltooid deelwoord | toezeggen |
| toezeggende | woordvorm | toezeggen |
| toezegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toezeggen |
| toezei | subordinate-clause, verleden tijd | toezeggen |
| toezeiden | subordinate-clause, verleden tijd | toezeggen |
| zeg toe | gebiedende wijs | toezeggen |
| zegde toe | verleden tijd | toezeggen |
| zegden toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | toezeggen |
| zegge toe | woordvorm | toezeggen |
| zeggen toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | toezeggen |
| zegt toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | toezeggen |
| zei toe | verleden tijd | toezeggen |
| zeiden toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | toezeggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toezeggen zijn vastgelegd.