toetakelen
werkwoordBetekenis
- iemand zo mishandelen dat hij of zij zichtbaar lichamelijk letsel heeft
Vervoeging van toetakelen
toetakelenhele werkwoord — takelde toeverleden tijd enkelvoud — takelden toeverleden tijd meervoud — toegetakeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | takel toe | takelde toe |
| jij | takelt toe | takelde toe |
| hij, zij, het | takelt toe | takelde toe |
| wij | takelen toe | takelden toe |
| jullie | takelen toe | takelden toe |
| zij | takelen toe | takelden toe |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is toegetakeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was toegetakeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd toegetakeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt toegetakeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal toegetakeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal toegetakeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou toegetakeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou toegetakeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had toegetakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had toegetakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had toegetakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden toegetakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden toegetakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden toegetakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt toegetakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toegetakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| takel toe | gebiedende wijs |
| takelde toe | verleden tijd |
| te hebben toegetakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen toetakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe te takelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toe te zullen takelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe zal takelen | bijzin, toekomende tijd |
| toe zou takelen | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zouden takelen | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zoudt takelen | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zullen takelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toe zullen takelen | bijzin, toekomende tijd |
| toe zult takelen | bijzin, toekomende tijd |
| toegetakeld | verleden tijd, deelwoord |
| toegetakeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toegetakeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toegetakeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegetakeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegetakeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegetakeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toegetakeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| toegetakeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toegetakeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toegetakeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toetakel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toetakelde | bijzin, verleden tijd |
| toetakelden | bijzin, verleden tijd |
| toetakelend | onvoltooid, deelwoord |
| toetakelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart toegetakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren toegetakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren toegetakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren toegetakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was toegetakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was toegetakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was toegetakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt toegetakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal toegetakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegetakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal toegetakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toegetakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegetakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal toegetakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegetakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal toetakelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt toegetakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou toegetakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegetakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toegetakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toegetakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegetakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou toegetakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toegetakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegetakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toegetakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou toetakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) toetakelen toe zou(dt) takelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden toegetakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden toegetakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden toegetakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toegetakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toegetakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toegetakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toegetakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden toegetakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden toegetakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden toetakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt toegetakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt toegetakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt toegetakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt toetakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen toegetakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen toegetakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen toegetakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen toegetakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen toegetakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen toegetakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen toegetakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen toegetakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen toegetakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen toetakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen toetakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen toetakelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult toegetakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘aftuigen’ voor het eerst aangetroffen in 1770
Woordfamilie van toetakelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| takel toe | gebiedende wijs | toetakelen |
| takelde toe | verleden tijd | toetakelen |
| takelden toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | toetakelen |
| takele toe | woordvorm | toetakelen |
| takelen toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | toetakelen |
| takelt toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | toetakelen |
| toegetakeld | voltooid deelwoord | toetakelen |
| toegetakelde | woordvorm | toetakelen |
| toetakel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toetakelen |
| toetakelde | subordinate-clause, verleden tijd | toetakelen |
| toetakelden | subordinate-clause, verleden tijd | toetakelen |
| toetakele | with-subordinate-clause | toetakelen |
| toetakelend | onvoltooid deelwoord | toetakelen |
| toetakelende | woordvorm | toetakelen |
| toetakelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toetakelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toetakelen zijn vastgelegd.