Naar de inhoud

toeschieten

ergens naar toe snellen

toeschieten

werkwoord

Betekenis

  1. ergens naar toe snellen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van toeschieten

toeschietenhele werkwoord — schoot toeverleden tijd enkelvoud — schoten toeverleden tijd meervoud — toegeschotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schiet toe schoot toe
jij schiet toe schoot toe
hij, zij, het schiet toe schoot toe
wij schieten toe schoten toe
jullie schieten toe schoten toe
zij schieten toe schoten toe
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben toegeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent toegeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is toegeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is toegeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schiet toe gebiedende wijs
schoot toe verleden tijd
te zijn toegeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen toeschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toe te schieten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toe te zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toe zal schieten bijzin, toekomende tijd
toe zou schieten bijzin, voorwaardelijk
toe zouden schieten bijzin, voorwaardelijk
toe zoudt schieten bijzin, voorwaardelijk
toe zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
toe zullen schieten bijzin, toekomende tijd
toe zult schieten bijzin, toekomende tijd
toegeschoten verleden tijd, deelwoord
toegeschoten te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegeschoten zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
toeschiet bijzin, tegenwoordige tijd
toeschietend onvoltooid, deelwoord
toeschoot bijzin, verleden tijd
toeschoten bijzin, verleden tijd
waart toegeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren toegeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren toegeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren toegeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was toegeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was toegeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was toegeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal toegeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal toegeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal toeschieten bijzin, toekomende tijd
zijn toegeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn toegeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn toegeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn toegeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt toegeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou toegeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou toeschieten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) toeschieten toe zou(dt) schieten bijzin, voorwaardelijk
zouden toegeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden toegeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden toegeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden toeschieten bijzin, voorwaardelijk
zoudt toegeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt toeschieten bijzin, voorwaardelijk
zullen toegeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen toegeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen toegeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen toeschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen toeschieten bijzin, toekomende tijd
zult toegeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult toeschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult toeschieten bijzin, toekomende tijd
zult/zal toeschieten toe zult/zal schieten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van toe bw en schieten ww

Woordfamilie van toeschieten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
schiet toe gebiedende wijs toeschieten
schiete toe woordvorm toeschieten
schieten toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon toeschieten
schoot toe verleden tijd toeschieten
schoten toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon toeschieten
toegeschoten voltooid deelwoord toeschieten
toeschiet subordinate-clause, tegenwoordige tijd toeschieten
toeschiete with-subordinate-clause toeschieten
toeschietend onvoltooid deelwoord toeschieten
toeschietende woordvorm toeschieten
toeschoot subordinate-clause, verleden tijd toeschieten
toeschoten subordinate-clause, verleden tijd toeschieten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toeschieten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over toeschieten

Wat is de betekenis van toeschieten?
Toeschieten is een werkwoord. De betekenis is: ergens naar toe snellen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik toeschieten?
Zo vervoeg je toeschieten zo: het voltooid deelwoord is toegeschoten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord toeschieten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. I 1
  8. E 1
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

toeschieten levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. I 2
  8. E 1
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

toeschieten in het kort

toeschieten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van toeschieten staan er 44 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort toeschieten bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

toeschieten: ergens naar toe snellen
Deel toeschieten — standaardnederlands.nl