toeristenseizoen
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de periode van het jaar dat vakantiegangers iets bezoeken
- vakantieseizoen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| toeristenseizoenen | meervoud |
| toeristenseizoentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| toeristenseizoentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van toerist en seizoen met het invoegsel -en-
Woordfamilie van toeristenseizoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toeristenseizoenen | meervoud | toeristenseizoen |
| toeristenseizoentje | verkleinwoord | toeristenseizoen |
| toeristenseizoentjes | verkleinwoord meervoud | toeristenseizoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toeristenseizoen zijn vastgelegd.