Naar de inhoud

toejuichen

met gejuich begroeten

toejuichen

werkwoord

Betekenis

  1. met gejuich begroeten

Vervoeging van toejuichen

toejuichenhele werkwoord — juichte toeverleden tijd enkelvoud — juichten toeverleden tijd meervoud — toegejuichtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik juich toe juichte toe
jij juicht toe juichte toe
hij, zij, het juicht toe juichte toe
wij juichen toe juichten toe
jullie juichen toe juichten toe
zij juichen toe juichten toe
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is toegejuicht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was toegejuicht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd toegejuicht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt toegejuicht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal toegejuicht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal toegejuicht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou toegejuicht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou toegejuicht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had toegejuicht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had toegejuicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had toegejuicht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden toegejuicht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden toegejuicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden toegejuicht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt toegejuicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben toegejuicht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
juich toe gebiedende wijs
juichte toe verleden tijd
te hebben toegejuicht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen toejuichen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toe te juichen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toe te zullen juichen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toe zal juichen bijzin, toekomende tijd
toe zou juichen bijzin, voorwaardelijk
toe zouden juichen bijzin, voorwaardelijk
toe zoudt juichen bijzin, voorwaardelijk
toe zullen juichen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
toe zullen juichen bijzin, toekomende tijd
toe zult juichen bijzin, toekomende tijd
toegejuicht verleden tijd, deelwoord
toegejuicht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toegejuicht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toegejuicht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegejuicht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegejuicht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegejuicht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
toegejuicht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
toegejuicht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
toegejuicht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
toegejuicht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
toejuich bijzin, tegenwoordige tijd
toejuichend onvoltooid, deelwoord
toejuicht bijzin, tegenwoordige tijd
toejuichte bijzin, verleden tijd
toejuichten bijzin, verleden tijd
waart toegejuicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren toegejuicht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren toegejuicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren toegejuicht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was toegejuicht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was toegejuicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was toegejuicht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt toegejuicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal toegejuicht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegejuicht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal toegejuicht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal toegejuicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegejuicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal toegejuicht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegejuicht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal toejuichen bijzin, toekomende tijd
zijn toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt toegejuicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou toegejuicht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegejuicht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegejuicht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou toegejuicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegejuicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou toegejuicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegejuicht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegejuicht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegejuicht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou toejuichen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) toejuichen toe zou(dt) juichen bijzin, voorwaardelijk
zouden toegejuicht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden toegejuicht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden toegejuicht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toegejuicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden toegejuicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden toegejuicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toegejuicht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden toegejuicht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden toegejuicht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden toejuichen bijzin, voorwaardelijk
zoudt toegejuicht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt toegejuicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt toegejuicht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt toejuichen bijzin, voorwaardelijk
zullen toegejuicht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen toegejuicht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen toegejuicht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen toegejuicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen toegejuicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen toegejuicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen toegejuicht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen toegejuicht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen toegejuicht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen toejuichen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen toejuichen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen toejuichen bijzin, toekomende tijd
zult toegejuicht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van toe bw en juichen ww

Woordfamilie van toejuichen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
juich toe gebiedende wijs toejuichen
juiche toe woordvorm toejuichen
juichen toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon toejuichen
juicht toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon toejuichen
juichte toe verleden tijd toejuichen
juichten toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon toejuichen
toegejuicht voltooid deelwoord toejuichen
toegejuichte woordvorm toejuichen
toejuich subordinate-clause, tegenwoordige tijd toejuichen
toejuiche with-subordinate-clause toejuichen
toejuichend onvoltooid deelwoord toejuichen
toejuichende woordvorm toejuichen
toejuicht subordinate-clause, tegenwoordige tijd toejuichen
toejuichte subordinate-clause, verleden tijd toejuichen
toejuichten subordinate-clause, verleden tijd toejuichen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toejuichen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over toejuichen

Wat is de betekenis van toejuichen?
Toejuichen is een werkwoord. De betekenis is: met gejuich begroeten.
Hoe vervoeg ik toejuichen?
Zo vervoeg je toejuichen zo: het voltooid deelwoord is toegejuicht. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord toejuichen is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. J 4
  5. U 4
  6. I 1
  7. C 5
  8. H 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

toejuichen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. J 4
  5. U 2
  6. I 2
  7. C 5
  8. H 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

toejuichen in het kort

toejuichen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van toejuichen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort toejuichen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

toejuichen: met gejuich begroeten
Deel toejuichen — standaardnederlands.nl