tochtdeur
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een binnendeur ter voorkoming van tocht, bijv. de deur tussen vestibule en gang, of tussen magazijn en winkelruimte in een supermarkt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tochtdeuren | meervoud |
| tochtdeurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tochtdeurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van tocht ww en deur
Woordfamilie van tochtdeur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tochtdeuren | meervoud | tochtdeur |
| tochtdeurtje | verkleinwoord | tochtdeur |
| tochtdeurtjes | verkleinwoord meervoud | tochtdeur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tochtdeur zijn vastgelegd.