Naar de inhoud

thuisbrengen

iets of iemand naar huis vervoeren

thuisbrengen

werkwoord

Betekenis

  1. iets of iemand naar huis vervoeren
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

werkwoord

  1. iets zodanig herinneren dat men ook weet wat het precies was

Vervoeging van thuisbrengen

thuisbrengenhele werkwoord — bracht thuisverleden tijd enkelvoud — brachten thuisverleden tijd meervoud — thuisgebrachtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik breng thuis bracht thuis
jij brengt thuis bracht thuis
hij, zij, het brengt thuis bracht thuis
wij brengen thuis brachten thuis
jullie brengen thuis brachten thuis
zij brengen thuis brachten thuis
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bracht thuis verleden tijd
breng thuis gebiedende wijs
er is thuisgebracht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was thuisgebracht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd thuisgebracht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt thuisgebracht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal thuisgebracht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal thuisgebracht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou thuisgebracht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou thuisgebracht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had thuisgebracht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had thuisgebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had thuisgebracht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden thuisgebracht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden thuisgebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden thuisgebracht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt thuisgebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben thuisgebracht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben thuisgebracht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen thuisbrengen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
thuis te brengen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
thuis te zullen brengen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
thuis zal brengen bijzin, toekomende tijd
thuis zou brengen bijzin, voorwaardelijk
thuis zouden brengen bijzin, voorwaardelijk
thuis zoudt brengen bijzin, voorwaardelijk
thuis zullen brengen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
thuis zullen brengen bijzin, toekomende tijd
thuis zult brengen bijzin, toekomende tijd
thuisbracht bijzin, verleden tijd
thuisbrachten bijzin, verleden tijd
thuisbreng bijzin, tegenwoordige tijd
thuisbrengend onvoltooid, deelwoord
thuisbrengt bijzin, tegenwoordige tijd
thuisgebracht verleden tijd, deelwoord
thuisgebracht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
thuisgebracht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
thuisgebracht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
thuisgebracht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
thuisgebracht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
thuisgebracht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
thuisgebracht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
thuisgebracht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
thuisgebracht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
thuisgebracht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart thuisgebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren thuisgebracht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren thuisgebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren thuisgebracht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was thuisgebracht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was thuisgebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was thuisgebracht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt thuisgebracht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal thuisbrengen bijzin, toekomende tijd
zal thuisgebracht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal thuisgebracht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal thuisgebracht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal thuisgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal thuisgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal thuisgebracht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal thuisgebracht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt thuisgebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou thuisbrengen bijzin, voorwaardelijk
zou thuisgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou thuisgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou thuisgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou thuisgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou thuisgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou thuisgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou thuisgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou thuisgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou thuisgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) thuisbrengen thuis zou(dt) brengen bijzin, voorwaardelijk
zouden thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden thuisbrengen bijzin, voorwaardelijk
zouden thuisgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden thuisgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden thuisgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden thuisgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden thuisgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden thuisgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden thuisgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden thuisgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden thuisgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt thuisbrengen bijzin, voorwaardelijk
zoudt thuisgebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt thuisgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt thuisgebracht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen thuisbrengen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen thuisbrengen bijzin, toekomende tijd
zullen thuisgebracht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen thuisgebracht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen thuisgebracht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen thuisgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen thuisgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen thuisgebracht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen thuisgebracht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen thuisgebracht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen thuisgebracht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult thuisbrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van thuis en brengen

Woordfamilie van thuisbrengen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bracht thuis verleden tijd thuisbrengen
brachten thuis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon thuisbrengen
breng thuis gebiedende wijs thuisbrengen
brenge thuis woordvorm thuisbrengen
brengen thuis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon thuisbrengen
brengt thuis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon thuisbrengen
thuisbracht subordinate-clause, verleden tijd thuisbrengen
thuisbrachten subordinate-clause, verleden tijd thuisbrengen
thuisbreng subordinate-clause, tegenwoordige tijd thuisbrengen
thuisbrenge with-subordinate-clause thuisbrengen
thuisbrengend onvoltooid deelwoord thuisbrengen
thuisbrengende woordvorm thuisbrengen
thuisbrengt subordinate-clause, tegenwoordige tijd thuisbrengen
thuisgebracht voltooid deelwoord thuisbrengen
thuisgebrachte woordvorm thuisbrengen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van thuisbrengen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over thuisbrengen

Wat betekent thuisbrengen?
Thuisbrengen is een werkwoord. Het woord betekent: iets of iemand naar huis vervoeren. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je thuisbrengen?
Je vervoegt thuisbrengen als volgt: het voltooid deelwoord is thuisgebracht. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord thuisbrengen is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. H 4
  3. U 4
  4. I 1
  5. S 2
  6. B 3
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. G 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

thuisbrengen levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. H 4
  3. U 2
  4. I 2
  5. S 2
  6. B 4
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. G 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 25 zonder bonus
  14. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

thuisbrengen in het kort

thuisbrengen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van thuisbrengen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort thuisbrengen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

thuisbrengen: iets of iemand naar huis vervoeren
Deel thuisbrengen — standaardnederlands.nl