Naar de inhoud

thuisblijven

de eigen woning niet verlaten

thuisblijven

werkwoord ˈtœysblɛivə(n)

Betekenis

  1. de eigen woning niet verlaten

Hoe spreek je thuisblijven uit?

/ˈtœysblɛivən/

Thuisblijven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈtœysblɛivən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
t tak
œy huis
s sok
b bak
l land
ɛi trein
v vis
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van thuisblijven

thuisblijvenhele werkwoord — bleef thuisverleden tijd enkelvoud — bleven thuisverleden tijd meervoud — thuisgeblevenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blijf thuis bleef thuis
jij blijft thuis bleef thuis
hij, zij, het blijft thuis bleef thuis
wij blijven thuis bleven thuis
jullie blijven thuis bleven thuis
zij blijven thuis bleven thuis
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bleef thuis verleden tijd
blijf thuis gebiedende wijs
ev. gebiedende wijs
had thuisgebleven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had thuisgebleven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had thuisgebleven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden thuisgebleven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden thuisgebleven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden thuisgebleven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt thuisgebleven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb thuisgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben thuisgebleven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben thuisgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben thuisgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben thuisgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt thuisgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft thuisgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft thuisgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben thuisgebleven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen thuisblijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
thuis te blijven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
thuis te zullen blijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
thuis zal blijven bijzin, toekomende tijd
thuis zou blijven bijzin, voorwaardelijk
thuis zouden blijven bijzin, voorwaardelijk
thuis zoudt blijven bijzin, voorwaardelijk
thuis zullen blijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
thuis zullen blijven bijzin, toekomende tijd
thuis zult blijven bijzin, toekomende tijd
thuisbleef bijzin, verleden tijd
thuisbleven bijzin, verleden tijd
thuisblijf bijzin, tegenwoordige tijd
thuisblijft bijzin, tegenwoordige tijd
thuisblijvend onvoltooid, deelwoord
thuisgebleven verleden tijd, deelwoord
thuisgebleven te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
thuisgebleven zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
zal thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal thuisblijven bijzin, toekomende tijd
zal thuisgebleven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal thuisgebleven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal thuisgebleven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou thuisblijven bijzin, voorwaardelijk
zou thuisgebleven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou thuisgebleven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou thuisgebleven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) thuisblijven thuis zou(dt) blijven bijzin, voorwaardelijk
zouden thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden thuisblijven bijzin, voorwaardelijk
zouden thuisgebleven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden thuisgebleven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden thuisgebleven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt thuisblijven bijzin, voorwaardelijk
zoudt thuisgebleven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen thuisblijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen thuisblijven bijzin, toekomende tijd
zullen thuisgebleven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen thuisgebleven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen thuisgebleven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult thuisblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult thuisblijven bijzin, toekomende tijd
zult thuisgebleven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal thuisblijven thuis zult/zal blijven bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van thuis bw en blijven zn

Woordfamilie van thuisblijven

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bleef thuis verleden tijd thuisblijven
bleven thuis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon thuisblijven
blijf thuis gebiedende wijs thuisblijven
blijft thuis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon thuisblijven
blijve thuis woordvorm thuisblijven
blijven thuis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon thuisblijven
thuisbleef subordinate-clause, verleden tijd thuisblijven
thuisbleven subordinate-clause, verleden tijd thuisblijven
thuisblijf subordinate-clause, tegenwoordige tijd thuisblijven
thuisblijft subordinate-clause, tegenwoordige tijd thuisblijven
thuisblijve with-subordinate-clause thuisblijven
thuisblijvend onvoltooid deelwoord thuisblijven
thuisblijvende woordvorm thuisblijven
thuisgebleven voltooid deelwoord thuisblijven

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van thuisblijven zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over thuisblijven

Hoe spreek ik thuisblijven uit?
Zo spreek je thuisblijven uit: /ˈtœysblɛivə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van thuisblijven?
Thuisblijven is een werkwoord. De betekenis is: de eigen woning niet verlaten.
Hoe vervoeg ik thuisblijven?
Zo vervoeg je thuisblijven zo: het voltooid deelwoord is thuisgebleven. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord thuisblijven is 30 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. H 4
  3. U 4
  4. I 1
  5. S 2
  6. B 3
  7. L 3
  8. I 1
  9. J 4
  10. V 4
  11. E 1
  12. N 1
  13. 30 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

thuisblijven levert met Wordfeud minimaal 31 en maximaal 117 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. H 4
  3. U 2
  4. I 2
  5. S 2
  6. B 4
  7. L 3
  8. I 2
  9. J 4
  10. V 4
  11. E 1
  12. N 1
  13. 31 zonder bonus
  14. 117 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

thuisblijven in het kort

thuisblijven staat in dit woordenboek als werkwoord. Van thuisblijven staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort thuisblijven bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

thuisblijven: de eigen woning niet verlaten
Deel thuisblijven — standaardnederlands.nl