tewerkstellen
werkwoordBetekenis
- een arbeidsbetrekking verlenen aan iemand
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van tewerkstellen
tewerkstellenhele werkwoord — stelde tewerkverleden tijd enkelvoud — stelden tewerkverleden tijd meervoud — tewerkgesteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stel tewerk | stelde tewerk |
| jij | stelt tewerk | stelde tewerk |
| hij, zij, het | stelt tewerk | stelde tewerk |
| wij | stellen tewerk | stelden tewerk |
| jullie | stellen tewerk | stelden tewerk |
| zij | stellen tewerk | stelden tewerk |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is tewerkgesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was tewerkgesteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd tewerkgesteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt tewerkgesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal tewerkgesteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal tewerkgesteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou tewerkgesteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou tewerkgesteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tewerkgesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stel tewerk | gebiedende wijs |
| stelde tewerk | verleden tijd |
| te hebben tewerkgesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tewerkstellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tewerk te stellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tewerk te zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tewerk zal stellen | bijzin, toekomende tijd |
| tewerk zou stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| tewerk zouden stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| tewerk zoudt stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| tewerk zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tewerk zullen stellen | bijzin, toekomende tijd |
| tewerk zult stellen | bijzin, toekomende tijd |
| tewerkgesteld | verleden tijd, deelwoord |
| tewerkgesteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tewerkgesteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tewerkgesteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tewerkgesteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tewerkgesteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tewerkgesteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| tewerkgesteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| tewerkgesteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tewerkgesteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tewerkgesteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tewerkstel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tewerkstelde | bijzin, verleden tijd |
| tewerkstelden | bijzin, verleden tijd |
| tewerkstellend | onvoltooid, deelwoord |
| tewerkstelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was tewerkgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt tewerkgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal tewerkgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tewerkgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal tewerkgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tewerkgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tewerkgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal tewerkgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tewerkgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal tewerkstellen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt tewerkgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou tewerkgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tewerkgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tewerkgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tewerkgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tewerkgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou tewerkgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tewerkgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tewerkgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tewerkgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou tewerkstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) tewerkstellen tewerk zou(dt) stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden tewerkgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tewerkgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tewerkgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tewerkgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tewerkgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tewerkgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tewerkgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tewerkgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tewerkgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden tewerkstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt tewerkgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tewerkgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tewerkgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt tewerkstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen tewerkgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tewerkgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tewerkgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tewerkgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tewerkgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tewerkgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tewerkgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tewerkgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tewerkgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tewerkstellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tewerkstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen tewerkstellen | bijzin, toekomende tijd |
| zult tewerkgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van tewerk en stellen
Woordfamilie van tewerkstellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stel tewerk | gebiedende wijs | tewerkstellen |
| stelde tewerk | verleden tijd | tewerkstellen |
| stelden tewerk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tewerkstellen |
| stelle tewerk | woordvorm | tewerkstellen |
| stellen tewerk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | tewerkstellen |
| stelt tewerk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tewerkstellen |
| tewerkgesteld | voltooid deelwoord | tewerkstellen |
| tewerkgestelde | woordvorm | tewerkstellen |
| tewerkstel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tewerkstellen |
| tewerkstelde | subordinate-clause, verleden tijd | tewerkstellen |
| tewerkstelden | subordinate-clause, verleden tijd | tewerkstellen |
| tewerkstelle | with-subordinate-clause | tewerkstellen |
| tewerkstellend | onvoltooid deelwoord | tewerkstellen |
| tewerkstellende | woordvorm | tewerkstellen |
| tewerkstelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tewerkstellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tewerkstellen zijn vastgelegd.