terugtrappen
werkwoordBetekenis
- in achterwaartse richting trappen
werkwoord
- een trap geven als reactie op een trap van een ander transitive
Vervoeging van terugtrappen
terugtrappenhele werkwoord — trapte terugverleden tijd enkelvoud — trapten terugverleden tijd meervoud — teruggetraptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trap terug | trapte terug |
| jij | trapt terug | trapte terug |
| hij, zij, het | trapt terug | trapte terug |
| wij | trappen terug | trapten terug |
| jullie | trappen terug | trapten terug |
| zij | trappen terug | trapten terug |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is teruggetrapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was teruggetrapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd teruggetrapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt teruggetrapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal teruggetrapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal teruggetrapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou teruggetrapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou teruggetrapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had teruggetrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had teruggetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had teruggetrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden teruggetrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden teruggetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden teruggetrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt teruggetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb teruggetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggetrapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben teruggetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben teruggetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt teruggetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben teruggetrapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugtrappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te trappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen trappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal trappen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen trappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen trappen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult trappen | bijzin, toekomende tijd |
| teruggetrapt | verleden tijd, deelwoord |
| teruggetrapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggetrapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugtrap | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugtrappend | onvoltooid, deelwoord |
| terugtrapt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugtrapte | bijzin, verleden tijd |
| terugtrapten | bijzin, verleden tijd |
| trap terug | gebiedende wijs |
| trapte terug | verleden tijd |
| zal teruggetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugtrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zou teruggetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugtrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugtrappen terug zou(dt) trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugtrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugtrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugtrappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugtrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terugtrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugtrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terugtrappen terug zult/zal trappen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug bw en trappen ww
Woordfamilie van terugtrappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| teruggetrapt | voltooid deelwoord | terugtrappen |
| teruggetrapte | woordvorm | terugtrappen |
| terugtrap | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugtrappen |
| terugtrappe | with-subordinate-clause | terugtrappen |
| terugtrappend | onvoltooid deelwoord | terugtrappen |
| terugtrappende | woordvorm | terugtrappen |
| terugtrapt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugtrappen |
| terugtrapte | subordinate-clause, verleden tijd | terugtrappen |
| terugtrapten | subordinate-clause, verleden tijd | terugtrappen |
| trap terug | gebiedende wijs | terugtrappen |
| trappe terug | woordvorm | terugtrappen |
| trappen terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugtrappen |
| trapt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugtrappen |
| trapte terug | verleden tijd | terugtrappen |
| trapten terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugtrappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugtrappen zijn vastgelegd.