terugsteken
werkwoordBetekenis
- steken waar iets eerder vandaan kwam
Vervoeging van terugsteken
terugstekenhele werkwoord — stak terugverleden tijd enkelvoud — staken terugverleden tijd meervoud — teruggestokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | steek terug | stak terug |
| jij | steekt terug | staakt terug |
| hij, zij, het | steekt terug | stak terug |
| wij | steken terug | staken terug |
| jullie | steken terug | staken terug |
| zij | steken terug | staken terug |
Alle 108 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is teruggestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was teruggestoken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd teruggestoken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt teruggestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal teruggestoken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal teruggestoken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou teruggestoken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou teruggestoken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had teruggestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had teruggestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had teruggestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden teruggestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden teruggestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden teruggestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt teruggestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb teruggestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben teruggestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben teruggestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt teruggestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is teruggestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stak terug | verleden tijd |
| steek terug | gebiedende wijs |
| te hebben teruggestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugsteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te steken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal steken | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou steken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden steken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt steken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen steken | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult steken | bijzin, toekomende tijd |
| teruggestoken | verleden tijd, deelwoord |
| teruggestoken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| teruggestoken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| teruggestoken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggestoken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggestoken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggestoken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| teruggestoken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| teruggestoken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| teruggestoken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| teruggestoken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugstaakt | bijzin, verleden tijd |
| terugstak | bijzin, verleden tijd |
| terugstaken | bijzin, verleden tijd |
| terugsteek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugsteekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugstekend | onvoltooid, deelwoord |
| waren teruggestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was teruggestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd teruggestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden teruggestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden teruggestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt teruggestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal teruggestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal teruggestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal teruggestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugsteken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn teruggestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou teruggestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou teruggestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou teruggestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugsteken terug zou(dt) steken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden teruggestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden teruggestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen teruggestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen teruggestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugsteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugsteken | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terugsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugsteken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terugsteken terug zult/zal steken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug bw en steken ww
Woordfamilie van terugsteken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stak terug | verleden tijd | terugsteken |
| staken terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugsteken |
| steek terug | gebiedende wijs | terugsteken |
| steekt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugsteken |
| steke terug | woordvorm | terugsteken |
| steken terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugsteken |
| teruggestoken | voltooid deelwoord | terugsteken |
| terugstak | subordinate-clause, verleden tijd | terugsteken |
| terugstaken | subordinate-clause, verleden tijd | terugsteken |
| terugsteek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugsteken |
| terugsteekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugsteken |
| terugsteke | with-subordinate-clause | terugsteken |
| terugstekend | onvoltooid deelwoord | terugsteken |
| terugstekende | woordvorm | terugsteken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugsteken zijn vastgelegd.