terugreizen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- de reis terug maken naar de plaats vanwaar men oorspronkelijk gekomen is
Vervoeging van terugreizen
terugreizenhele werkwoord — reisde terugverleden tijd enkelvoud — reisden terugverleden tijd meervoud — teruggereisdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | reis terug | reisde terug |
| jij | reist terug | reisde terug |
| hij, zij, het | reist terug | reisde terug |
| wij | reizen terug | reisden terug |
| jullie | reizen terug | reisden terug |
| zij | reizen terug | reisden terug |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben teruggereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent teruggereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is teruggereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is teruggereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reis terug | gebiedende wijs |
| reisde terug | verleden tijd |
| te zijn teruggereisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugreizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te reizen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen reizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal reizen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou reizen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden reizen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt reizen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen reizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen reizen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult reizen | bijzin, toekomende tijd |
| teruggereisd | verleden tijd, deelwoord |
| teruggereisd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggereisd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugreis | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugreisde | bijzin, verleden tijd |
| terugreisden | bijzin, verleden tijd |
| terugreist | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugreizend | onvoltooid, deelwoord |
| waart teruggereisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggereisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren teruggereisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggereisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was teruggereisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was teruggereisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was teruggereisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal teruggereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugreizen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn teruggereisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn teruggereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn teruggereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn teruggereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt teruggereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou teruggereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugreizen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugreizen terug zou(dt) reizen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugreizen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugreizen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugreizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugreizen | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terugreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugreizen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terugreizen terug zult/zal reizen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord terugreis
Herkomst
samenstelling van terug en reizen
Woordfamilie van terugreizen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| reis terug | gebiedende wijs | terugreizen |
| reisde terug | verleden tijd | terugreizen |
| reisden terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugreizen |
| reist terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugreizen |
| reize terug | woordvorm | terugreizen |
| reizen terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugreizen |
| teruggereisd | voltooid deelwoord | terugreizen |
| terugreisde | subordinate-clause, verleden tijd | terugreizen |
| terugreisden | subordinate-clause, verleden tijd | terugreizen |
| terugreist | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugreizen |
| terugreize | with-subordinate-clause | terugreizen |
| terugreizend | onvoltooid deelwoord | terugreizen |
| terugreizende | woordvorm | terugreizen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugreizen zijn vastgelegd.