terugplooien
werkwoordBetekenis
- (België, niet algemeen) zich terugtrekken.
werkwoord
- zich terugtrekken. transitive
Vervoeging van terugplooien
terugplooienhele werkwoord — plooide terugverleden tijd enkelvoud — plooiden terugverleden tijd meervoud — teruggeplooidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | plooi terug | plooide terug |
| jij | plooit terug | plooide terug |
| hij, zij, het | plooit terug | plooide terug |
| wij | plooien terug | plooiden terug |
| jullie | plooien terug | plooiden terug |
| zij | plooien terug | plooiden terug |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had teruggeplooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had teruggeplooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had teruggeplooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden teruggeplooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden teruggeplooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden teruggeplooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt teruggeplooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb teruggeplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggeplooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben teruggeplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggeplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben teruggeplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt teruggeplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggeplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggeplooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plooi terug | gebiedende wijs |
| plooide terug | verleden tijd |
| te hebben teruggeplooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugplooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te plooien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen plooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal plooien | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou plooien | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden plooien | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt plooien | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen plooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen plooien | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult plooien | bijzin, toekomende tijd |
| teruggeplooid | verleden tijd, deelwoord |
| teruggeplooid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggeplooid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugplooi | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugplooide | bijzin, verleden tijd |
| terugplooiden | bijzin, verleden tijd |
| terugplooiend | onvoltooid, deelwoord |
| terugplooit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal teruggeplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggeplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggeplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugplooien | bijzin, toekomende tijd |
| zou teruggeplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggeplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggeplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugplooien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugplooien terug zou(dt) plooien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggeplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggeplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggeplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugplooien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggeplooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugplooien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggeplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggeplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggeplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugplooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugplooien | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggeplooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terugplooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugplooien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terugplooien terug zult/zal plooien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug bw en plooien ww
Woordfamilie van terugplooien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plooi terug | gebiedende wijs | terugplooien |
| plooide terug | verleden tijd | terugplooien |
| plooiden terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugplooien |
| plooie terug | woordvorm | terugplooien |
| plooien terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugplooien |
| plooit terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugplooien |
| teruggeplooid | voltooid deelwoord | terugplooien |
| teruggeplooide | woordvorm | terugplooien |
| terugplooi | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugplooien |
| terugplooide | subordinate-clause, verleden tijd | terugplooien |
| terugplooiden | subordinate-clause, verleden tijd | terugplooien |
| terugplooie | with-subordinate-clause | terugplooien |
| terugplooiend | onvoltooid deelwoord | terugplooien |
| terugplooiende | woordvorm | terugplooien |
| terugplooit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugplooien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugplooien zijn vastgelegd.