terugkomen
werkwoord /trʌxkomə/Betekenis
- opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
- ~ op: een eerdere afspraak of regel ongedaan maken
- weer optreden van iets dat verdwenen was
Hoe spreek je terugkomen uit?
/trʌxkomə/
Terugkomen bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| x | acht |
| k | kat |
| o | boot |
| m | maan |
| ə | de |
werkwoord
- ~ op/van: een eerder gemaakte afspraak, genomen beslissing of overeengekomen regel weer ongedaan maken ergative
- ~ op: een al eerder besproken onderwerp nog eens opnieuw aankaarten ergative
Vervoeging van terugkomen
terugkomenhele werkwoord — kwam terugverleden tijd enkelvoud — kwamen terugverleden tijd meervoud — teruggekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom terug | kwam terug |
| jij | komt terug | kwaamt terug |
| hij, zij, het | komt terug | kwam terug |
| wij | komen terug | kwamen terug |
| jullie | komen terug | kwamen terug |
| zij | komen terug | kwamen terug |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben teruggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent teruggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is teruggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is teruggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom terug | gebiedende wijs |
| kwam terug | verleden tijd |
| te zijn teruggekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| teruggekomen | verleden tijd, deelwoord |
| teruggekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugkomend | onvoltooid, deelwoord |
| terugkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| terugkwam | bijzin, verleden tijd |
| terugkwamen | bijzin, verleden tijd |
| waart teruggekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren teruggekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was teruggekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was teruggekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was teruggekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal teruggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn teruggekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn teruggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn teruggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn teruggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt teruggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou teruggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugkomen terug zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terugkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terugkomen terug zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug bw en komen ww
Woordfamilie van terugkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kom terug | gebiedende wijs | terugkomen |
| kome terug | woordvorm | terugkomen |
| komen terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugkomen |
| komt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugkomen |
| kwaamt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugkomen |
| kwam terug | verleden tijd | terugkomen |
| kwamen terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugkomen |
| teruggekomen | voltooid deelwoord | terugkomen |
| terugkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugkomen |
| terugkome | with-subordinate-clause | terugkomen |
| terugkomend | onvoltooid deelwoord | terugkomen |
| terugkomende | woordvorm | terugkomen |
| terugkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugkomen |
| terugkwam | subordinate-clause, verleden tijd | terugkomen |
| terugkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | terugkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugkomen zijn vastgelegd.