Naar de inhoud

teruggaan

naar het punt van vertrek gaan

teruggaan

werkwoord /təˈrʏχaːn/

Betekenis

  1. naar het punt van vertrek gaan

Hoe spreek je teruggaan uit?

/təˈrʏxan/

Teruggaan bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /təˈrʏxan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
t tak
ə de
r rood
ʏ put
x acht
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van teruggaan

teruggaanhele werkwoord — ging terugverleden tijd enkelvoud — gingen terugverleden tijd meervoud — teruggegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga terug ging terug
jij gaat terug ging terug
hij, zij, het gaat terug ging terug
wij gaan terug gingen terug
jullie gaan terug gingen terug
zij gaan terug gingen terug
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben teruggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent teruggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
ga terug gebiedende wijs
ging terug verleden tijd
is teruggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is teruggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn teruggegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen teruggaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
terug te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug zal gaan bijzin, toekomende tijd
terug zou gaan bijzin, voorwaardelijk
terug zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
terug zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
terug zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
terug zullen gaan bijzin, toekomende tijd
terug zult gaan bijzin, toekomende tijd
terugga bijzin, tegenwoordige tijd
teruggaand onvoltooid, deelwoord
teruggaat bijzin, tegenwoordige tijd
teruggegaan verleden tijd, deelwoord
teruggegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
teruggegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
terugging bijzin, verleden tijd
teruggingen bijzin, verleden tijd
waart teruggegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren teruggegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren teruggegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren teruggegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was teruggegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was teruggegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was teruggegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal teruggaan bijzin, toekomende tijd
zal teruggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal teruggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal teruggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn teruggegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn teruggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn teruggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn teruggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt teruggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou teruggaan bijzin, voorwaardelijk
zou teruggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou teruggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou teruggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) teruggaan terug zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden teruggaan bijzin, voorwaardelijk
zouden teruggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden teruggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden teruggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt teruggaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt teruggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen teruggaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen teruggaan bijzin, toekomende tijd
zullen teruggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen teruggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen teruggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult teruggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult teruggaan bijzin, toekomende tijd
zult teruggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal teruggaan terug zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van terug bw en gaan ww

Woordfamilie van teruggaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ga terug gebiedende wijs teruggaan
gaan terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon teruggaan
gaat terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon teruggaan
ging terug verleden tijd teruggaan
gingen terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon teruggaan
terugga subordinate-clause, tegenwoordige tijd teruggaan
teruggaand onvoltooid deelwoord teruggaan
teruggaande woordvorm teruggaan
teruggaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd teruggaan
teruggegaan voltooid deelwoord teruggaan
terugging subordinate-clause, verleden tijd teruggaan
teruggingen subordinate-clause, verleden tijd teruggaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van teruggaan zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over teruggaan

Hoe spreek je teruggaan uit?
De uitspraak van teruggaan is: /təˈrʏχaːn/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent teruggaan?
Teruggaan is een werkwoord. Het woord betekent: naar het punt van vertrek gaan.
Hoe vervoeg je teruggaan?
Je vervoegt teruggaan als volgt: het voltooid deelwoord is teruggegaan. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord teruggaan is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 4
  5. G 3
  6. G 3
  7. A 1
  8. A 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

teruggaan levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 2
  5. G 3
  6. G 3
  7. A 1
  8. A 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

teruggaan in het kort

teruggaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Van teruggaan zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort teruggaan bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

teruggaan: naar het punt van vertrek gaan
Deel teruggaan — standaardnederlands.nl