terugblikken
werkwoord, zelfstandig naamwoord t(ə)ˈrʏɣblɪkə(n)Betekenis
- terugkijken
Hoe spreek je terugblikken uit?
/təˈrʏxblɪkən/
Terugblikken bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ʏ | put |
| x | acht |
| b | bak |
| l | land |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van terugblikken
terugblikkenhele werkwoord — blikte terugverleden tijd enkelvoud — blikten terugverleden tijd meervoud — teruggebliktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blik terug | blikte terug |
| jij | blikt terug | blikte terug |
| hij, zij, het | blikt terug | blikte terug |
| wij | blikken terug | blikten terug |
| jullie | blikken terug | blikten terug |
| zij | blikken terug | blikten terug |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blik terug | gebiedende wijs |
| blikte terug | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had teruggeblikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had teruggeblikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had teruggeblikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden teruggeblikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden teruggeblikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden teruggeblikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt teruggeblikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb teruggeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggeblikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben teruggeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben teruggeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt teruggeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben teruggeblikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugblikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te blikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen blikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal blikken | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou blikken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden blikken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt blikken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen blikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen blikken | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult blikken | bijzin, toekomende tijd |
| terugblik | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugblikkend | onvoltooid, deelwoord |
| terugblikt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugblikte | bijzin, verleden tijd |
| terugblikten | bijzin, verleden tijd |
| teruggeblikt | verleden tijd, deelwoord |
| teruggeblikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggeblikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zal terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugblikken | bijzin, toekomende tijd |
| zal teruggeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugblikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou teruggeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) terugblikken terug zou(dt) blikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugblikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugblikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen terugblikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugblikken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen teruggeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult terugblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugblikken | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal terugblikken terug zult/zal blikken | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord terugblik
Herkomst
samenstelling van terug bw en blikken ww
Woordfamilie van terugblikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blik terug | gebiedende wijs | terugblikken |
| blikke terug | woordvorm | terugblikken |
| blikken terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugblikken |
| blikt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugblikken |
| blikte terug | verleden tijd | terugblikken |
| blikten terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugblikken |
| terugblikke | with-subordinate-clause | terugblikken |
| terugblikt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugblikken |
| terugblikte | subordinate-clause, verleden tijd | terugblikken |
| terugblikten | subordinate-clause, verleden tijd | terugblikken |
| teruggeblikt | voltooid deelwoord | terugblikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugblikken zijn vastgelegd.