tender
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- wagen achter een locomotief, om kolen en water te transporteren
- aanbieding, aanbod, bod
- aanbesteding, gunning
- begroting, kostenraming
- gaar, mals, zacht
- zoet
- gevoelig
- liefhebbend
- aanbieden, indienen
- (~ a) neigen naar/tot
- zich richten naar, toegaan naar
- strekken, uitstrekken, uitspreiden
- ophangen, uithangen (van wasgoed)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tenders | meervoud |
| tendertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tendertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tenderen
- gebiedende wijs van tenderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tenderen
Vervoeging van tender
tenderhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘kolenwagen achter locomotief’ voor het eerst aangetroffen in 1839
Woordfamilie van tender
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tenders | meervoud | tender |
| tendertje | verkleinwoord | tender |
| tendertjes | verkleinwoord meervoud | tender |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tender zijn vastgelegd.