Naar de inhoud

telewerken

thuis werken met behulp van een computeraansluiting met het bedrijf

telewerken

werkwoord

Betekenis

  1. thuis werken met behulp van een computeraansluiting met het bedrijf

Vervoeging van telewerken

telewerkenhele werkwoord — telewerkteverleden tijd enkelvoud — telewerktenverleden tijd meervoud — getelewerktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik telewerk telewerkte
jij telewerkt telewerkte
hij, zij, het telewerkt telewerkte
wij telewerken telewerkten
jullie telewerken telewerkten
zij telewerken telewerkten
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
getelewerkt verleden tijd, deelwoord
getelewerkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getelewerkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getelewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getelewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getelewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getelewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getelewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getelewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getelewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getelewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getelewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getelewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getelewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getelewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getelewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getelewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getelewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getelewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te telewerken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen telewerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
telewerk gebiedende wijs
telewerke aanvoegende wijs
telewerkend onvoltooid, deelwoord
telewerkte verleden tijd
zal getelewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getelewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getelewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal telewerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal telewerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal telewerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou getelewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getelewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getelewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou telewerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou telewerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou telewerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getelewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getelewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getelewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden telewerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden telewerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden telewerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getelewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt telewerken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getelewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getelewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getelewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen telewerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen telewerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen telewerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen telewerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getelewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult telewerken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van werken met het voorvoegsel tele-

Woordfamilie van telewerken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getelewerkt voltooid deelwoord telewerken
telewerke aanvoegende wijs telewerken
telewerkend onvoltooid deelwoord telewerken
telewerkende woordvorm telewerken
telewerkt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon telewerken
telewerkte verleden tijd telewerken
telewerkten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon telewerken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van telewerken zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over telewerken

Wat is de betekenis van telewerken?
Telewerken is een werkwoord. De betekenis is: thuis werken met behulp van een computeraansluiting met het bedrijf.
Hoe vervoeg ik telewerken?
Zo vervoeg je telewerken zo: de tegenwoordige tijd is telewerk, de verleden tijd is telewerkte en het voltooid deelwoord is getelewerkt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord telewerken is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. L 3
  4. E 1
  5. W 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

telewerken levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. L 3
  4. E 1
  5. W 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

telewerken in het kort

telewerken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van telewerken staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort telewerken bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

telewerken: thuis werken met behulp van een computeraansluiting met het bedrijf
Deel telewerken — standaardnederlands.nl