televisiekijken
werkwoordBetekenis
- aandacht schenken aan een op de beeldbuis vertoond programma
Vervoeging van televisiekijken
televisiekijkenhele werkwoord — keek televisieverleden tijd enkelvoud — keken televisieverleden tijd meervoud — televisiegekekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kijk televisie | keek televisie |
| jij | kijkt televisie | keek televisie |
| hij, zij, het | kijkt televisie | keek televisie |
| wij | kijken televisie | keken televisie |
| jullie | kijken televisie | keken televisie |
| zij | kijken televisie | keken televisie |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had televisiegekeken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had televisiegekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had televisiegekeken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden televisiegekeken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden televisiegekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden televisiegekeken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt televisiegekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb televisiegekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben televisiegekeken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben televisiegekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben televisiegekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben televisiegekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt televisiegekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft televisiegekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft televisiegekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| keek televisie | verleden tijd |
| kijk televisie | gebiedende wijs |
| te hebben televisiegekeken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen televisiekijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| televisie te kijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| televisie te zullen kijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| televisie zal kijken | bijzin, toekomende tijd |
| televisie zou kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| televisie zouden kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| televisie zoudt kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| televisie zullen kijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| televisie zullen kijken | bijzin, toekomende tijd |
| televisie zult kijken | bijzin, toekomende tijd |
| televisiegekeken | verleden tijd, deelwoord |
| televisiegekeken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| televisiegekeken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| televisiekeek | bijzin, verleden tijd |
| televisiekeken | bijzin, verleden tijd |
| televisiekijk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| televisiekijkend | onvoltooid, deelwoord |
| televisiekijkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal televisiegekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal televisiegekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal televisiegekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal televisiekijken | bijzin, toekomende tijd |
| zou televisiegekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou televisiegekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou televisiegekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou televisiekijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) televisiekijken televisie zou(dt) kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden televisiegekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden televisiegekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden televisiegekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden televisiekijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt televisiegekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt televisiekijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen televisiegekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen televisiegekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen televisiegekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen televisiekijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen televisiekijken | bijzin, toekomende tijd |
| zult televisiegekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult televisiekijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult televisiekijken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal televisiekijken televisie zult/zal kijken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van televisie en kijken
Woordfamilie van televisiekijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| keek televisie | verleden tijd | televisiekijken |
| keken televisie | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | televisiekijken |
| kijk televisie | gebiedende wijs | televisiekijken |
| kijke televisie | woordvorm | televisiekijken |
| kijken televisie | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | televisiekijken |
| kijkt televisie | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | televisiekijken |
| televisiegekeken | voltooid deelwoord | televisiekijken |
| televisiekeek | subordinate-clause, verleden tijd | televisiekijken |
| televisiekeken | subordinate-clause, verleden tijd | televisiekijken |
| televisiekijk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | televisiekijken |
| televisiekijke | with-subordinate-clause | televisiekijken |
| televisiekijkend | onvoltooid deelwoord | televisiekijken |
| televisiekijkende | woordvorm | televisiekijken |
| televisiekijkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | televisiekijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van televisiekijken zijn vastgelegd.