Naar de inhoud

tekortschieten

onvoldoende of ontoereikend zijn, minder goed presteren dan verwacht

tekortschieten

werkwoord

Betekenis

  1. onvoldoende of ontoereikend zijn, minder goed presteren dan verwacht

Vervoeging van tekortschieten

tekortschietenhele werkwoord — schoot tekortverleden tijd enkelvoud — schoten tekortverleden tijd meervoud — tekortgeschotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schiet tekort schoot tekort
jij schiet tekort schoot tekort
hij, zij, het schiet tekort schoot tekort
wij schieten tekort schoten tekort
jullie schieten tekort schoten tekort
zij schieten tekort schoten tekort
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben tekortgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent tekortgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is tekortgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is tekortgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schiet tekort gebiedende wijs
schoot tekort verleden tijd
te zijn tekortgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tekortschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tekort te schieten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tekort te zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tekort zal schieten bijzin, toekomende tijd
tekort zou schieten bijzin, voorwaardelijk
tekort zouden schieten bijzin, voorwaardelijk
tekort zoudt schieten bijzin, voorwaardelijk
tekort zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
tekort zullen schieten bijzin, toekomende tijd
tekort zult schieten bijzin, toekomende tijd
tekortgeschoten verleden tijd, deelwoord
tekortgeschoten te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
tekortgeschoten zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
tekortschiet bijzin, tegenwoordige tijd
tekortschietend onvoltooid, deelwoord
tekortschoot bijzin, verleden tijd
tekortschoten bijzin, verleden tijd
waart tekortgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren tekortgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren tekortgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren tekortgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was tekortgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was tekortgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was tekortgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal tekortgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tekortgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal tekortgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal tekortschieten bijzin, toekomende tijd
zijn tekortgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn tekortgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn tekortgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn tekortgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt tekortgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou tekortgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tekortgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tekortgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou tekortschieten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) tekortschieten tekort zou(dt) schieten bijzin, voorwaardelijk
zouden tekortgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden tekortgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden tekortgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden tekortschieten bijzin, voorwaardelijk
zoudt tekortgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt tekortschieten bijzin, voorwaardelijk
zullen tekortgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen tekortgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen tekortgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tekortschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen tekortschieten bijzin, toekomende tijd
zult tekortgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult tekortschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult tekortschieten bijzin, toekomende tijd
zult/zal tekortschieten tekort zult/zal schieten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

Van te kort schieten

Woordfamilie van tekortschieten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
schiet tekort gebiedende wijs tekortschieten
schiete tekort woordvorm tekortschieten
schieten tekort aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon tekortschieten
schoot tekort verleden tijd tekortschieten
schoten tekort aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon tekortschieten
tekortgeschoten voltooid deelwoord tekortschieten
tekortschiet subordinate-clause, tegenwoordige tijd tekortschieten
tekortschiete with-subordinate-clause tekortschieten
tekortschietend onvoltooid deelwoord tekortschieten
tekortschietende woordvorm tekortschieten
tekortschoot subordinate-clause, verleden tijd tekortschieten
tekortschoten subordinate-clause, verleden tijd tekortschieten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tekortschieten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over tekortschieten

Wat betekent tekortschieten?
Tekortschieten is een werkwoord. Het woord betekent: onvoldoende of ontoereikend zijn, minder goed presteren dan verwacht.
Hoe vervoeg je tekortschieten?
Je vervoegt tekortschieten als volgt: het voltooid deelwoord is tekortgeschoten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tekortschieten is 28 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. K 3
  4. O 1
  5. R 2
  6. T 2
  7. S 2
  8. C 5
  9. H 4
  10. I 1
  11. E 1
  12. T 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 28 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tekortschieten levert met Wordfeud minimaal 29 en maximaal 117 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. K 3
  4. O 1
  5. R 2
  6. T 2
  7. S 2
  8. C 5
  9. H 4
  10. I 2
  11. E 1
  12. T 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 29 zonder bonus
  16. 117 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tekortschieten in het kort

tekortschieten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van tekortschieten zijn 44 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort tekortschieten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

tekortschieten: onvoldoende of ontoereikend zijn, minder goed presteren dan verwacht
Deel tekortschieten — standaardnederlands.nl