tegenvallen
werkwoordBetekenis
- minder gunstig verlopen dan verwacht
Vervoeging van tegenvallen
tegenvallenhele werkwoord — viel tegenverleden tijd enkelvoud — vielen tegenverleden tijd meervoud — tegengevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val tegen | viel tegen |
| jij | valt tegen | viel tegen |
| hij, zij, het | valt tegen | viel tegen |
| wij | vallen tegen | vielen tegen |
| jullie | vallen tegen | vielen tegen |
| zij | vallen tegen | vielen tegen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had tegengevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had tegengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had tegengevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden tegengevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden tegengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden tegengevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt tegengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb tegengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben tegengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben tegengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt tegengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben tegengevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tegenvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tegen te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegen zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| tegengevallen | verleden tijd, deelwoord |
| tegengevallen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegengevallen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegenval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tegenvallend | onvoltooid, deelwoord |
| tegenvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tegenviel | bijzin, verleden tijd |
| tegenvielen | bijzin, verleden tijd |
| val tegen | gebiedende wijs |
| viel tegen | verleden tijd |
| zal tegengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tegengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal tegengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal tegenvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zou tegengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tegengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tegengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou tegenvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) tegenvallen tegen zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden tegengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tegengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tegengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden tegenvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt tegengevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt tegenvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen tegengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tegengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tegengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tegenvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen tegenvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult tegengevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tegenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult tegenvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal tegenvallen tegen zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van tegen bw en vallen ww
Woordfamilie van tegenvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tegengevallen | voltooid deelwoord | tegenvallen |
| tegenval | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegenvallen |
| tegenvalle | with-subordinate-clause | tegenvallen |
| tegenvallend | onvoltooid deelwoord | tegenvallen |
| tegenvallende | woordvorm | tegenvallen |
| tegenvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegenvallen |
| tegenviel | subordinate-clause, verleden tijd | tegenvallen |
| tegenvielen | subordinate-clause, verleden tijd | tegenvallen |
| val tegen | gebiedende wijs | tegenvallen |
| valle tegen | woordvorm | tegenvallen |
| vallen tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | tegenvallen |
| valt tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tegenvallen |
| viel tegen | verleden tijd | tegenvallen |
| vielen tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tegenvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegenvallen zijn vastgelegd.