tegenstribbelen
werkwoordBetekenis
- weerstand bieden
Vervoeging van tegenstribbelen
tegenstribbelenhele werkwoord — stribbelde tegenverleden tijd enkelvoud — stribbelden tegenverleden tijd meervoud — tegengestribbeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stribbel tegen | stribbelde tegen |
| jij | stribbelt tegen | stribbelde tegen |
| hij, zij, het | stribbelt tegen | stribbelde tegen |
| wij | stribbelen tegen | stribbelden tegen |
| jullie | stribbelen tegen | stribbelden tegen |
| zij | stribbelen tegen | stribbelden tegen |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is tegengestribbeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was tegengestribbeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd tegengestribbeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt tegengestribbeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal tegengestribbeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal tegengestribbeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou tegengestribbeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou tegengestribbeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had tegengestribbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had tegengestribbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had tegengestribbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden tegengestribbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden tegengestribbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden tegengestribbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt tegengestribbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb tegengestribbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengestribbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben tegengestribbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengestribbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben tegengestribbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt tegengestribbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengestribbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengestribbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stribbel tegen | gebiedende wijs |
| stribbelde tegen | verleden tijd |
| te hebben tegengestribbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tegenstribbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen te stribbelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tegen te zullen stribbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen zal stribbelen | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zou stribbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zouden stribbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zoudt stribbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zullen stribbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegen zullen stribbelen | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zult stribbelen | bijzin, toekomende tijd |
| tegengestribbeld | verleden tijd, deelwoord |
| tegengestribbeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegengestribbeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegenstribbel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tegenstribbelde | bijzin, verleden tijd |
| tegenstribbelden | bijzin, verleden tijd |
| tegenstribbelend | onvoltooid, deelwoord |
| tegenstribbelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal tegengestribbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tegengestribbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal tegengestribbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal tegenstribbelen | bijzin, toekomende tijd |
| zou tegengestribbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tegengestribbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tegengestribbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou tegenstribbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) tegenstribbelen tegen zou(dt) stribbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden tegengestribbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tegengestribbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tegengestribbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden tegenstribbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt tegengestribbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt tegenstribbelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen tegengestribbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tegengestribbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tegengestribbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tegenstribbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen tegenstribbelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult tegengestribbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tegenstribbelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult tegenstribbelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal tegenstribbelen tegen zult/zal stribbelen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van tegen bw en stribbelen ww
Woordfamilie van tegenstribbelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stribbel tegen | gebiedende wijs | tegenstribbelen |
| stribbelde tegen | verleden tijd | tegenstribbelen |
| stribbelden tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tegenstribbelen |
| stribbele tegen | woordvorm | tegenstribbelen |
| stribbelen tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | tegenstribbelen |
| stribbelt tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tegenstribbelen |
| tegengestribbeld | voltooid deelwoord | tegenstribbelen |
| tegenstribbel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegenstribbelen |
| tegenstribbelde | subordinate-clause, verleden tijd | tegenstribbelen |
| tegenstribbelden | subordinate-clause, verleden tijd | tegenstribbelen |
| tegenstribbele | with-subordinate-clause | tegenstribbelen |
| tegenstribbelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegenstribbelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegenstribbelen zijn vastgelegd.