tegenstemmen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- bij een verkiezing een afwijzende stem uitbrengen
Vervoeging van tegenstemmen
tegenstemmenhele werkwoord — stemde tegenverleden tijd enkelvoud — stemden tegenverleden tijd meervoud — tegengestemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stem tegen | stemde tegen |
| jij | stemt tegen | stemde tegen |
| hij, zij, het | stemt tegen | stemde tegen |
| wij | stemmen tegen | stemden tegen |
| jullie | stemmen tegen | stemden tegen |
| zij | stemmen tegen | stemden tegen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had tegengestemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had tegengestemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had tegengestemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden tegengestemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden tegengestemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden tegengestemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt tegengestemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb tegengestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengestemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben tegengestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben tegengestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt tegengestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stem tegen | gebiedende wijs |
| stemde tegen | verleden tijd |
| te hebben tegengestemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tegenstemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen te stemmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tegen te zullen stemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen zal stemmen | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zou stemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zouden stemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zoudt stemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zullen stemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegen zullen stemmen | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zult stemmen | bijzin, toekomende tijd |
| tegengestemd | verleden tijd, deelwoord |
| tegengestemd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegengestemd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegenstem | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tegenstemde | bijzin, verleden tijd |
| tegenstemden | bijzin, verleden tijd |
| tegenstemmend | onvoltooid, deelwoord |
| tegenstemt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal tegengestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tegengestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal tegengestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal tegenstemmen | bijzin, toekomende tijd |
| zou tegengestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tegengestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tegengestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou tegenstemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) tegenstemmen tegen zou(dt) stemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden tegengestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tegengestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tegengestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden tegenstemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt tegengestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt tegenstemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen tegengestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tegengestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tegengestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tegenstemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen tegenstemmen | bijzin, toekomende tijd |
| zult tegengestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tegenstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult tegenstemmen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal tegenstemmen tegen zult/zal stemmen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord tegenstem
Herkomst
samenstelling van tegen en stemmen
Woordfamilie van tegenstemmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stem tegen | gebiedende wijs | tegenstemmen |
| stemde tegen | verleden tijd | tegenstemmen |
| stemden tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tegenstemmen |
| stemme tegen | woordvorm | tegenstemmen |
| stemmen tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | tegenstemmen |
| stemt tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tegenstemmen |
| tegengestemd | voltooid deelwoord | tegenstemmen |
| tegenstemde | subordinate-clause, verleden tijd | tegenstemmen |
| tegenstemden | subordinate-clause, verleden tijd | tegenstemmen |
| tegenstemme | with-subordinate-clause | tegenstemmen |
| tegenstemmend | onvoltooid deelwoord | tegenstemmen |
| tegenstemmende | woordvorm | tegenstemmen |
| tegenstemt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegenstemmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegenstemmen zijn vastgelegd.