taxi
zelfstandig naamwoord, werkwoord /tɑk.si/Betekenis
- een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
- taxi
Hoe spreek je taxi uit?
/tɑksi/
Taxi bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| s | sok |
| i | riet |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| taxi's | meervoud |
| taxietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| taxietjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van taxiën
- gebiedende wijs van taxiën
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van taxiën
Vervoeging van taxi
taxihele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘huurauto met chauffeur’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1911
Woordfamilie van taxi
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| taxi's | meervoud | taxi |
| taxietje | verkleinwoord | taxi |
| taxietjes | verkleinwoord meervoud | taxi |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van taxi zijn vastgelegd.