tank
zelfstandig naamwoord, werkwoord tɛnkBetekenis
- een vrij groot afsluitbaar en meestal metalen vat voor de opslag van vloeistoffen
- een gepantserd en zwaar bewapend oorlogsvoertuig op rupsbanden
Hoe spreek je tank uit?
/tɛnk/
Tank bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tankje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tankjes | verkleinwoord, meervoud |
| tanks | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanken
- gebiedende wijs van tanken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanken
Vervoeging van tank
tankhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vloeistofreservoir’ voor het eerst aangetroffen in 1889
Woordfamilie van tank
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tankje | verkleinwoord | tank |
| tankjes | verkleinwoord meervoud | tank |
| tanks | meervoud | tank |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tank zijn vastgelegd.