syndiceren
werkwoordBetekenis
- verschillende personen verzamelen om een syndicaat te vormen
Vervoeging van syndiceren
syndicerenhele werkwoord — syndiceerdeverleden tijd enkelvoud — syndiceerdenverleden tijd meervoud — gesyndiceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | syndiceer | syndiceerde |
| jij | syndiceert | syndiceerde |
| hij, zij, het | syndiceert | syndiceerde |
| wij | syndiceren | syndiceerden |
| jullie | syndiceren | syndiceerden |
| zij | syndiceren | syndiceerden |
Alle 27 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesyndiceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesyndiceerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesyndiceerd te zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesyndiceerd zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| syndiceer | gebiedende wijs |
| syndiceerde | verleden tijd |
| syndicere | aanvoegende wijs |
| syndicerend | onvoltooid, deelwoord |
| te gesyndiceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te syndiceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen syndiceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen syndiceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult syndiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse syndiquer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van syndiceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesyndiceerd | voltooid deelwoord | syndiceren |
| syndiceer | gebiedende wijs | syndiceren |
| syndiceerde | verleden tijd | syndiceren |
| syndiceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | syndiceren |
| syndiceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | syndiceren |
| syndicere | aanvoegende wijs | syndiceren |
| syndicerend | onvoltooid deelwoord | syndiceren |
| syndicerende | woordvorm | syndiceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van syndiceren zijn vastgelegd.