Naar de inhoud

sukkelen

kampen met een gebrekkige gezondheid of lichamelijk gebrek

sukkelen

werkwoord

Betekenis

  1. kampen met een gebrekkige gezondheid of lichamelijk gebrek

Vervoeging van sukkelen

sukkelenhele werkwoord — sukkeldeverleden tijd enkelvoud — sukkeldenverleden tijd meervoud — gesukkeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sukkel sukkelde
jij sukkelt sukkelde
hij, zij, het sukkelt sukkelde
wij sukkelen sukkelden
jullie sukkelen sukkelden
zij sukkelen sukkelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gesukkeld verleden tijd, deelwoord
gesukkeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesukkeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesukkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesukkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesukkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesukkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesukkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesukkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesukkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesukkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesukkeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesukkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesukkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesukkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesukkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesukkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesukkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sukkel gebiedende wijs
sukkelde verleden tijd
sukkele aanvoegende wijs
sukkelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesukkeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te sukkelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen sukkelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gesukkeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesukkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesukkeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gesukkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesukkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesukkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesukkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesukkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesukkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesukkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesukkeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesukkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesukkeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen sukkelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesukkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult sukkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘ziekelijk zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350

Woordfamilie van sukkelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesukkeld voltooid deelwoord sukkelen
sukkelde verleden tijd sukkelen
sukkelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon sukkelen
sukkele aanvoegende wijs sukkelen
sukkelend onvoltooid deelwoord sukkelen
sukkelende woordvorm sukkelen
sukkelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon sukkelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sukkelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over sukkelen

Wat betekent sukkelen?
Sukkelen is een werkwoord. Het woord betekent: kampen met een gebrekkige gezondheid of lichamelijk gebrek.
Hoe vervoeg je sukkelen?
Je vervoegt sukkelen als volgt: de tegenwoordige tijd is sukkel, de verleden tijd is sukkelde en het voltooid deelwoord is gesukkeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord sukkelen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. U 4
  3. K 3
  4. K 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

sukkelen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. U 2
  3. K 3
  4. K 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

sukkelen in het kort

sukkelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van sukkelen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort sukkelen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

sukkelen: kampen met een gebrekkige gezondheid of lichamelijk gebrek
Deel sukkelen — standaardnederlands.nl