sudderen
werkwoordBetekenis
- zachtjes pruttelend koken of gaar worden
- iets zachtjes pruttelend doen garen
Vervoeging van sudderen
sudderenhele werkwoord — sudderdeverleden tijd enkelvoud — sudderdenverleden tijd meervoud — gesudderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sudder | sudderde |
| jij | suddert | sudderde |
| hij, zij, het | suddert | sudderde |
| wij | sudderen | sudderden |
| jullie | sudderen | sudderden |
| zij | sudderen | sudderden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gesudderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesudderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesudderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesudderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesudderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesudderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesudderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesudderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesudderd | verleden tijd, deelwoord |
| gesudderd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesudderd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesudderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesudderd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesudderd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesudderd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesudderd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesudderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesudderd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesudderd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesudderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesudderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesudderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesudderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesudderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesudderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesudderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesudderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesudderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesudderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesudderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesudderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesudderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesudderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesudderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesudderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sudder | gebiedende wijs |
| sudderde | verleden tijd |
| suddere | aanvoegende wijs |
| sudderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesudderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sudderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sudderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gesudderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesudderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesudderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gesudderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gesudderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesudderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesudderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesudderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesudderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesudderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesudderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesudderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gesudderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesudderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesudderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesudderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesudderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesudderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesudderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesudderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesudderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesudderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesudderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesudderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesudderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesudderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesudderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesudderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sudderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesudderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sudderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘pruttelend koken’ voor het eerst aangetroffen in 1897
Woordfamilie van sudderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesudderd | voltooid deelwoord | sudderen |
| gesudderde | woordvorm | sudderen |
| sudder | gebiedende wijs | sudderen |
| sudderde | verleden tijd | sudderen |
| sudderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sudderen |
| suddere | aanvoegende wijs | sudderen |
| sudderend | onvoltooid deelwoord | sudderen |
| sudderende | woordvorm | sudderen |
| suddert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sudderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sudderen zijn vastgelegd.