Naar de inhoud

sudderen

zachtjes pruttelend koken of gaar worden

sudderen

werkwoord

Betekenis

  1. zachtjes pruttelend koken of gaar worden
  2. iets zachtjes pruttelend doen garen

Vervoeging van sudderen

sudderenhele werkwoord — sudderdeverleden tijd enkelvoud — sudderdenverleden tijd meervoud — gesudderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sudder sudderde
jij suddert sudderde
hij, zij, het suddert sudderde
wij sudderen sudderden
jullie sudderen sudderden
zij sudderen sudderden
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is gesudderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesudderd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesudderd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesudderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesudderd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesudderd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesudderd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesudderd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesudderd verleden tijd, deelwoord
gesudderd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesudderd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesudderd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesudderd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesudderd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesudderd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesudderd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesudderd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesudderd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesudderd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesudderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesudderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesudderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesudderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesudderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesudderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesudderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesudderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesudderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesudderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesudderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesudderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesudderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesudderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesudderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesudderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sudder gebiedende wijs
sudderde verleden tijd
suddere aanvoegende wijs
sudderend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesudderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te sudderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen sudderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren gesudderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gesudderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gesudderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden gesudderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden gesudderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gesudderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal gesudderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesudderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesudderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gesudderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gesudderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal sudderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal sudderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal sudderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gesudderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou gesudderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesudderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesudderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gesudderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gesudderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou sudderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou sudderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou sudderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesudderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesudderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesudderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesudderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesudderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden sudderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden sudderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden sudderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesudderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt sudderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesudderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesudderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesudderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesudderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesudderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen sudderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen sudderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen sudderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen sudderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesudderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult sudderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘pruttelend koken’ voor het eerst aangetroffen in 1897

Woordfamilie van sudderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesudderd voltooid deelwoord sudderen
gesudderde woordvorm sudderen
sudder gebiedende wijs sudderen
sudderde verleden tijd sudderen
sudderden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon sudderen
suddere aanvoegende wijs sudderen
sudderend onvoltooid deelwoord sudderen
sudderende woordvorm sudderen
suddert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon sudderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sudderen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over sudderen

Wat is de betekenis van sudderen?
Sudderen is een werkwoord. De betekenis is: zachtjes pruttelend koken of gaar worden. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik sudderen?
Zo vervoeg je sudderen zo: de tegenwoordige tijd is sudder, de verleden tijd is sudderde en het voltooid deelwoord is gesudderd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord sudderen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. U 4
  3. D 2
  4. D 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

sudderen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 51 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. U 2
  3. D 2
  4. D 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 51 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (S) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

sudderen in het kort

sudderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van sudderen staan er 65 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort sudderen bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

sudderen: zachtjes pruttelend koken of gaar worden
Deel sudderen — standaardnederlands.nl