Naar de inhoud

substitueren

vervangen

substitueren

werkwoord

Betekenis

  1. vervangen
  2. (een of meer atomen) in een molecule vervangen door een of meer andere

werkwoord

  1. in een molecule vervangen door een of meer andere

Vervoeging van substitueren

substituerenhele werkwoord — substitueerdeverleden tijd enkelvoud — substitueerdenverleden tijd meervoud — gesubstitueerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik substitueer substitueerde
jij substitueert substitueerde
hij, zij, het substitueert substitueerde
wij substitueren substitueerden
jullie substitueren substitueerden
zij substitueren substitueerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gesubstitueerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesubstitueerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesubstitueerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesubstitueerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesubstitueerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesubstitueerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesubstitueerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesubstitueerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesubstitueerd verleden tijd, deelwoord
gesubstitueerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesubstitueerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesubstitueerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesubstitueerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesubstitueerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesubstitueerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesubstitueerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesubstitueerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesubstitueerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesubstitueerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesubstitueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
substitueer gebiedende wijs
substitueerde verleden tijd
substituere aanvoegende wijs
substituerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesubstitueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te substitueren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen substitueren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gesubstitueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gesubstitueerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gesubstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesubstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesubstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gesubstitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesubstitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal substitueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal substitueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal substitueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gesubstitueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gesubstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesubstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesubstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesubstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesubstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesubstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou substitueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou substitueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou substitueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesubstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesubstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesubstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesubstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesubstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesubstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden substitueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden substitueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden substitueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesubstitueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesubstitueerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt substitueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesubstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesubstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesubstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesubstitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesubstitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesubstitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen substitueren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen substitueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen substitueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen substitueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesubstitueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gesubstitueerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gesubstitueerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult substitueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse substituer met het achtervoegsel -eren

Woordfamilie van substitueren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesubstitueerd voltooid deelwoord substitueren
gesubstitueerde woordvorm substitueren
substitueer gebiedende wijs substitueren
substitueerde verleden tijd substitueren
substitueerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon substitueren
substitueert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon substitueren
substituere aanvoegende wijs substitueren
substituerend onvoltooid deelwoord substitueren
substituerende woordvorm substitueren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van substitueren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over substitueren

Wat betekent substitueren?
Substitueren is een werkwoord. Het woord betekent: vervangen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je substitueren?
Je vervoegt substitueren als volgt: de tegenwoordige tijd is substitueer, de verleden tijd is substitueerde en het voltooid deelwoord is gesubstitueerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord substitueren is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. U 4
  3. B 3
  4. S 2
  5. T 2
  6. I 1
  7. T 2
  8. U 4
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

substitueren levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. U 2
  3. B 4
  4. S 2
  5. T 2
  6. I 2
  7. T 2
  8. U 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 zonder bonus
  14. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

substitueren in het kort

substitueren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van substitueren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort substitueren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

substitueren: vervangen
Deel substitueren — standaardnederlands.nl