Naar de inhoud

subordineren

onderschikken, ondergeschikt maken aan

subordineren

werkwoord

Betekenis

  1. onderschikken, ondergeschikt maken aan

Vervoeging van subordineren

subordinerenhele werkwoord — subordineerdeverleden tijd enkelvoud — subordineerdenverleden tijd meervoud — gesubordineerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik subordineer subordineerde
jij subordineert subordineerde
hij, zij, het subordineert subordineerde
wij subordineren subordineerden
jullie subordineren subordineerden
zij subordineren subordineerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gesubordineerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesubordineerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesubordineerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesubordineerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesubordineerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesubordineerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesubordineerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesubordineerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesubordineerd verleden tijd, deelwoord
gesubordineerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesubordineerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesubordineerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesubordineerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesubordineerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesubordineerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesubordineerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesubordineerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesubordineerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesubordineerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesubordineerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesubordineerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesubordineerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesubordineerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesubordineerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesubordineerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesubordineerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesubordineerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
subordineer gebiedende wijs
subordineerde verleden tijd
subordinere aanvoegende wijs
subordinerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesubordineerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te subordineren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen subordineren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gesubordineerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesubordineerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gesubordineerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesubordineerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gesubordineerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gesubordineerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gesubordineerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gesubordineerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gesubordineerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesubordineerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesubordineerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gesubordineerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesubordineerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal subordineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal subordineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal subordineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gesubordineerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gesubordineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesubordineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesubordineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesubordineerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesubordineerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesubordineerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou subordineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou subordineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou subordineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesubordineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesubordineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesubordineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesubordineerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesubordineerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesubordineerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden subordineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden subordineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden subordineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesubordineerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesubordineerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt subordineren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesubordineerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesubordineerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesubordineerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesubordineerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesubordineerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesubordineerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen subordineren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen subordineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen subordineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen subordineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesubordineerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gesubordineerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gesubordineerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult subordineren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ondergeschikt zijn of maken aan’ voor het eerst aangetroffen in 1759

Woordfamilie van subordineren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesubordineerd voltooid deelwoord subordineren
gesubordineerde woordvorm subordineren
subordineer gebiedende wijs subordineren
subordineerde verleden tijd subordineren
subordineerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon subordineren
subordineert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon subordineren
subordinere aanvoegende wijs subordineren
subordinerend onvoltooid deelwoord subordineren
subordinerende woordvorm subordineren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van subordineren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over subordineren

Wat betekent subordineren?
Subordineren is een werkwoord. Het woord betekent: onderschikken, ondergeschikt maken aan.
Hoe vervoeg je subordineren?
Je vervoegt subordineren als volgt: de tegenwoordige tijd is subordineer, de verleden tijd is subordineerde en het voltooid deelwoord is gesubordineerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord subordineren is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. U 4
  3. B 3
  4. O 1
  5. R 2
  6. D 2
  7. I 1
  8. N 1
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

subordineren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. U 2
  3. B 4
  4. O 1
  5. R 2
  6. D 2
  7. I 2
  8. N 1
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 zonder bonus
  14. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

subordineren in het kort

subordineren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van subordineren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort subordineren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

subordineren: onderschikken, ondergeschikt maken aan
Deel subordineren — standaardnederlands.nl