subordineren
werkwoordBetekenis
- onderschikken, ondergeschikt maken aan
Vervoeging van subordineren
subordinerenhele werkwoord — subordineerdeverleden tijd enkelvoud — subordineerdenverleden tijd meervoud — gesubordineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | subordineer | subordineerde |
| jij | subordineert | subordineerde |
| hij, zij, het | subordineert | subordineerde |
| wij | subordineren | subordineerden |
| jullie | subordineren | subordineerden |
| zij | subordineren | subordineerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesubordineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesubordineerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesubordineerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesubordineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesubordineerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesubordineerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesubordineerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesubordineerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesubordineerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesubordineerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesubordineerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesubordineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesubordineerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesubordineerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesubordineerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesubordineerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesubordineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesubordineerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesubordineerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesubordineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| subordineer | gebiedende wijs |
| subordineerde | verleden tijd |
| subordinere | aanvoegende wijs |
| subordinerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesubordineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te subordineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen subordineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesubordineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gesubordineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesubordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesubordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesubordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesubordineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesubordineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesubordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesubordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesubordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesubordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesubordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesubordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesubordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesubordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesubordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesubordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesubordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesubordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesubordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesubordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesubordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesubordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesubordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesubordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesubordineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesubordineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesubordineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen subordineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesubordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesubordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesubordineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult subordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ondergeschikt zijn of maken aan’ voor het eerst aangetroffen in 1759
Woordfamilie van subordineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesubordineerd | voltooid deelwoord | subordineren |
| gesubordineerde | woordvorm | subordineren |
| subordineer | gebiedende wijs | subordineren |
| subordineerde | verleden tijd | subordineren |
| subordineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | subordineren |
| subordineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | subordineren |
| subordinere | aanvoegende wijs | subordineren |
| subordinerend | onvoltooid deelwoord | subordineren |
| subordinerende | woordvorm | subordineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van subordineren zijn vastgelegd.