struikelen
werkwoord ˈstrœykələ(n)Betekenis
- het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
Hoe spreek je struikelen uit?
/ˈstrœykələn/
Struikelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| œy | huis |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van struikelen
struikelenhele werkwoord — struikeldeverleden tijd enkelvoud — struikeldenverleden tijd meervoud — gestruikeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | struikel | struikelde |
| jij | struikelt | struikelde |
| hij, zij, het | struikelt | struikelde |
| wij | struikelen | struikelden |
| jullie | struikelen | struikelden |
| zij | struikelen | struikelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gestruikeld | verleden tijd, deelwoord |
| gestruikeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestruikeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestruikeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestruikeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestruikeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestruikeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestruikeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestruikeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestruikeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestruikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestruikeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestruikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestruikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestruikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestruikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestruikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestruikeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| struikel | gebiedende wijs |
| struikelde | verleden tijd |
| struikele | aanvoegende wijs |
| struikelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestruikeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te struikelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen struikelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestruikeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestruikeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestruikeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestruikeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestruikeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestruikeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestruikeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestruikeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestruikeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestruikeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestruikeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestruikeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestruikeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen struikelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestruikeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult struikelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘misstappen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van struikelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestruikeld | voltooid deelwoord | struikelen |
| gestruikelde | woordvorm | struikelen |
| struikel | gebiedende wijs | struikelen |
| struikelde | verleden tijd | struikelen |
| struikelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | struikelen |
| struikele | aanvoegende wijs | struikelen |
| struikelend | onvoltooid deelwoord | struikelen |
| struikelende | woordvorm | struikelen |
| struikelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | struikelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van struikelen zijn vastgelegd.